18 juni 2014

Uitgelicht: een Sumerisch doosje

In plaats van een ruw overzicht van de vele stukken die elk museum wel rijk is, lijkt het me een goed idee om af en toe eens een bepaald stuk uit te lichten dat bijzondere aandacht vraagt, hetzij omdat het uniek is, of origineel of gewoon opvallend. Vandaag pik ik dit houten Sumerische doosje uit dat in het British Museum in Londen bewaard wordt, de zo genaamde Standaard van Ur.

Het is niet bekend waar het voor diende, misschien was het onderdeel van een muziekinstrument. Wat we wel weten is dat het 4.600 jaar oud is, dus dateert uit ongeveer 2.400 v.C. Het koffertje moet wel voor een heel bijzonder doel gemaakt zijn aangezien de versiering zo gedetailleerd en zo kostbaar is. Het is een hol kistje dat aan vier zijden ingelegd is met schelpen, lapis lazuli, rode kalksteen en parelmoer, vastgezet met pek.

De taferelen wijzen op een levendige en goed georganiseerde maatschappij.

De ene lange kant toont het Sumerische leger met infanterie, paarden en wagens dat de vijand te lijf gaat. Gevangenen worden voor de koning geleid die omringd is door zijn persoonlijke wacht terwijl zijn wagen achter hem staat opgesteld.

Aan de andere kant zien we een vredig tafereel aan het hof met onderdanen die geiten en vissen aanslepen voor het banket van de koning en zijn vrienden. Een man met een lier en een zanger zorgen voor de muzikale omlijsting.

De driehoekige zijpanelen zijn beschadigd maar daar staan fantasiebeelden op afgebeeld.

Al met al, een pronkstuk waar we allicht aan voorbij lopen, maar als je bedenkt hoe oud dit is en met hoeveel zorg het doosje gemaakt is, moet je toegeven dat het een echt pronkstuk is.

20 mei 2014

Gekoesterd in het Museum van Morgantina op Sicilië

Morgantina ligt slechts 80 km van Siracusa, het antieke Syracuse, verwijderd en zal heel waarschijnlijk niet bovenaan de lijst van bezienswaardigheden staan. Een grote fout en een groot gemis voor wie daar geen kijkje gaat nemen. Natuurlijk is het maar een klein en plaatselijk museum, maar wat er staat is wel zo bijzonder en meer dan de moeite waard.


Bij het binnenkomen worden we al meteen geconfronteerd met twee heel eigenaardige figuren van twee zittende dames in donkere tule gehuld met stralend witte handen, voeten en gezicht. Ze worden wel de akrolithische godinnen genoemd – akrolithisch omdat men alleen handen, voeten en aangezicht gevonden heeft wat er dus op wijst dat het eigenlijke beeld van vergankelijk materiaal gemaakt was, waarschijnlijk hout zodat alleen de marmeren uiteinden bewaard gebleven zijn; godinnen omdat ze zo voornaam van houding zijn. Oorspronkelijk zouden ze gekleed zijn in een wollen of linnen mantel, het hoofd bedekt met een sluier, terwijl het haar en de juwelen van kostbare metaal vervaardigd waren. Men gaat er overigens van uit dat hier Demeter en haar dochter Persephone uitgebeeld zijn. De lichtval op dit duo uit circa 530 v.C. is zeer juist getroffen en verhoogt de spanning die er van uitgaat.

In de volgende zaal staat dan een zwierig en meer dan levensgroot beeld  van wat de Venus van Morgantina genoemd wordt uit 420-410 v.C. Het beeld zelf is van kalksteen maar het hoofd, de armen en voeten zijn net als voor de eerder genoemde godinnen ook hier van Parisch marmer vervaardigd. We missen het haar (van verguld brons?) en de sluier die ze gedragen moet hebben waardoor haar hoofd er wat klein en onevenredig uitziet. Met haar zwierige jurk lijkt ze wel in de wind te staan, gewoonweg een schitterende verschijning!

En dan, last but not least, is hier een unieke zilverschat te zien die onder het huis van Eupolemos in Morgantina begraven lag. Jammer genoeg werd deze schat illegaal opgegraven en net als de Venus van Morgantina en de akrolithische godinnen langs smokkelroutes het land uitgevoerd. Aan de hand van een munt die in het huis van Eupolemos gevonden werd kan de zilverschat gedateerd worden tussen 214-212 v.C. Dit waren roerige tijden toen Carthago en Rome tijdens de Tweede Punische Oorlog vochten voor de alleenheerschappij over Sicilië. Volgens Livius werd Morgantina in 211 v.C. aangevallen en veroverd door de Romeinen, hetgeen dus overeenkomt met het begraven van de schat. Volgens een inscriptie op een loden tablet zou Eupolemos een hogepriester geweest kunnen zijn, eigenaar of bewaarder van deze kostbaarheden. Opvallend tussen de 16 stuks tellende schat is bij voorbeeld het ongeveer 11 cm hoge miniatuuraltaar dat maar liefst 370 gram weegt en versierd is met een Ionische tandlijst en een Dorisch fries van metopen en trigliefen; vier stierenkoppen voorzien van een gouden ster verbinden de guirlandes van vergulde ranken die er omheen hangen. Waarschijnlijk deed dit altaar dienst voor huisoffers maar dat is niet zeker.

Verder staan hier dus twee grote ovalen emmers, drie bekers met onderaan een reliëf van bloemen en bladeren, en kommetje met visnet motief (lijkt meer op een moderne voetbal), een kruik, een drinkschaal met twee oren, een offerschaal met zonnestralen in de bodem, een opscheplepel, twee pyxis (ronde doos) waarvan de ene deksel versierd is met een cupido die een fakkel draagt en de andere met een dame die een kind op haar schoot heeft, een prachtig medaillon met de afbeelding van Scylla en twee slanke hoorns die waarschijnlijk bij een lederen priestermasker hoorden. Op verschillende voorwerpen staan trouwens teksten opgedragen aan de goden en die zouden er op wijzen dat ze gebruikt werden voor plengoffers.

Uit nader onderzoek kan gesteld worden dat dit zilverwerk door kunstenaars uit Syracuse gemaakt is, en dat dit de enige voorbeelden zijn van de verfijnde smeedkunst uit de tweede helft van de derde eeuw voor Christus toen de stad de top van zijn macht en welvaart bereikt had.

Alle bovengenoemde voorwerpen zijn het resultaat van clandestiene opgravingen in Morgantina en hebben via de smokkelroutes hun weg gevonden naar de Verenigd Staten waar zij in verschillende musea tentoongesteld werden. Zo komt de Venus van Morgantina uit het J. Paul Getty Museum in Malibu, de akrolithische godinnen komen uit het Kunstmuseum van de Universiteit van Virginia en de zilverschat uit het Metropolitan Museum in New-York. Na jarenlange aanslepende discussies zijn deze unieke stukken nu weer thuis en staan ze te pronken in het Museum van Aidone waar Morgantina toe behoort.

25 maart 2014

NAUTILUS tentoonstelling met Alexander als klapstuk!


Tot 25 april 2014 loopt deze bijzondere NAUTILUS tentoonstelling nog in de BOZAR in Brussel. De titel verwijst naar de nauwe banden die Griekenland onderhield en nog onderhoudt met de Middellandse Zee – een zeer begrijpelijke relatie en dus voldoende reden om een kijkje te gaan nemen. Er zijn “maar” een honderdtal voorwerpen te zien maar die zijn wel voor de gelegenheid bij elkaar gebracht en sommige voorwerpen hebben ook voor het eerst hun thuismuseum verlaten.

Het is niet verwonderlijk dat er om te beginnen beeldjes en potscherven uit de Cycladen te zien zijn die uit rond 3.000 v.C. dateren. Hierna volgen vazen, schalen, tekeningen, reliëfs en kleine bronzen stukken uit de Minoische en Myceense periode. Eén van de pronkstukken is zeker de levensgrote muurschildering van een visser uit 1600-1500 v.C. die voor de gelegenheid uit het Archeologisch Museum van Thera overgekomen is. In de Myceense periode passen de twee schitterende gouden drinkbekers met krulfiguren die in een graf gevonden zijn en in het Archeologisch Museum van Pylos thuishoren. Van de ene knusse ruimte naar de volgende komt de bezoeker langs Griekse voorwerpen uit de archaïsche, klassieke en Hellenistische periode – meer in mijn straatje natuurlijk. Ik bewonder een paar theatermaskers, een aantal reliëfs uit kleine maar niet minder interessante musea, en zelfs een sierlijk bronzen beeldje van een jonge die op de rug van een dolfijn meerijdt en uit het Acropolis Museum van Athene komt.

Maar dan ineens sta ik als aan de grond genageld, want ik kijk Alexander de Grote pal in zijn gezicht! Nee maar, wat doet hij hier? Op deze vraag krijg ik geen antwoord, maar ik herken natuurlijk meteen het hoofd van de jonge Alexander uit het Museum van Pella dat dus bij mijn laatste bezoek niet aanwezig was. Nou, mijn dag kan niet meer stuk natuurlijk, en mijn museumbezoek dus ook niet. Hier liggen ook een aantal munten waaronder een zilveren tetradrachme van Alexander, een gouden stater ook met de beeltenis van Alexander en daarnaast een gouden stater met het profiel van Ptolemeus I Soter.

In de laatste expositieruimte zijn drie schitterende bronzen beelden te zien, waarschijnlijk uit zee opgevist. Daterend uit de tweede eeuw van onze jaartelling zien we achtereenvolgend het beeld van een onbekende man, a prachtig hoofd van een man met ingelegde ogen die een Macedonische kausia draagt, en de voorste helft van een levensgrote dolfijn.

Tussen de antieke stukken door staan ook moderne oeuvres, in mijn ogen nietszeggende voorwerpen die bovendien niets toevoegen aan de tentoonstelling. Alleen de foto’s van de zeezichten geven een vleugje van Griekenland weer, toen en nu – de Middellandse Zee blijft tenslotte wat hij was.

7 maart 2014

De Etrusken en de Middellandse Zee, de stad Cerveteri

In het nieuwe Museum van Louvre-Lens loopt nog een paar dagen een zeer zorgvuldig gepresenteerde tentoonstelling over de Etruskische beschaving. Hierna verhuist hij naar Rome waar hij van 14 april tot en met 20 juli 2014 te zien is het Palazzo delle Esposizioni.

De stukken staan duidelijk en overzichtelijk opgesteld met uitleg in het Frans, Engels en zelfs in het Nederlands! De hele tentoonstelling is eigenlijk gecentreerd rond één van de grootste metropolen die de Etrusken kenden, namelijk Cerveteri. De reden hiervoor is simpelweg dat dit de enige stad is die sinds zijn ontstaan in de 12de-9de eeuw v.C. continu bewoond geweest is tot hij opging in het Romeinse Rijk aan het begin van onze jaartelling.

Men is hier chronologisch te werk gegaan met grote overzichtskaarten (waar ik graag een jaartal bij gelezen had) en duidelijke uitleg over de evolutie van Cerveteri, voornamelijk aan de hand van grafvondsten in de vele necropolen. Verder wordt de stads politieke organisatie, de verhouding met het oostelijk Middellandse Zeegebied, Griekenland en Rome uit de doeken gedaan, dat alles gestaafd door een aantal bijzondere voorwerpen.

Natuurlijk zijn er de blikvangers zoals een bronzen paardenbit uit de 8ste eeuw v.C., of de grote drinkschaal met op de rand een versiering van roeiende schepen die, als de schaal met wijn gevuld is, lijken te drijven op een zee van wijn. Ik sta ook even stil bij een aller-schattigst parfumflesje in de vorm van een krijger met helm (600-590 v.C.) dat kunstig beschilderd is. Ook staan er een aantal Kraters of Dinos waarin de wijn met water vermengd werd, allen bijzonder van grootte en beschildering, en er is er zelfs eentje bij met deksel. Veel vazen, schalen, potten, schenkkannen en drinkbekers allemaal van aardewerk staan in de verschillende vitrines opgesteld en geven een duidelijk beeld van hun respectievelijke functie. Ik kijk mijn ogen uit op de kleurrijke antefixen, decorelementen langs de dakpannen van tempels uit de 6de-4de eeuw v.C. met goden- en heldentaferelen, sprekende gezichten van vrouwen en silenen, en anderen. Het schitterend beschilderde hoofd van een terracotta Heracles (5de-4de eeuw v.C.) staat terecht op een eigen voetstuk. Onwillekeurig blijf ik ook verbijsterd staan bij het witte terracotta hoofd van de godin Leucothea met sprekende ogen en wapperende haren uit het midden van 4de eeuw v.C. – zo echt!

Opvallend zijn bepaald de muurpanelen, ook van beschilderd aardewerk die eens de wanden versierden van het huis van een magistraat en daarna op maat gezaagd zijn om in zijn graftombe te passen, daterend uit het einde van de 6de eeuw v.C.

De Griekse invloed is overduidelijk alom aanwezig in al deze stukken, maar ik ben uiterst verwonderd om drie beschreven goudbladen te zien met daarop inscripties in het Etruskisch met overeenkomstige tekst in het Punisch, de taal van Carthago, en dus het bewijs is van de nauwe banden die Cerveteri met die stad onderhield aan het einde van de 6de eeuw v.C. De drie panelen waren waarschijnlijk aan de ingang van een tempel genageld die gebouwd werd in opdracht van Thefarie Velianas. Hieruit blijkt dat de Etruskische godin Uni gelijkgesteld werd met de Punische godin Astarte.



Het absolute toppunt is het blije Etruskische echtpaar dat in terracotta bovenop hun dito sarcofaag zit alsof ze de mensen, ons de bezoekers, ontvangen. Het ziet er puntje gaaf uit ofschoon het dateert uit 530-520 v.C. - niet te geloven. Ik vind het wel vreemd dat hij barrevoets aanligt terwijl zijn echtgenote schoenen met veters draagt – een leuk detail, in elk geval.


Eigenlijk valt de Romeinse overheersing in het niet na al deze prachtige stukken. Ik loop trouwens toch niet weg van die Romeinse kunst – toch altijd gekopieerd van de perfectie van de Grieken.

27 februari 2014

Bijzonder brons in het Museum van Reggio di Calabria

Het gaat hier om twee schitterende bronzen beelden, de zogenaamde Krijgers van Riace, die gemaakt werden tussen 490 en 430 v.C. De beelden zijn meer dan levensgroot, ongeveer twee meter en komen heel reëel over. 
 
Beide stukken zijn in de oudheid gestrand en werden in 1972 toevallig ontdekt door een amateurduiker op ongeveer 300 meter uit de kust van Calabrië. Het was één van Italië’s grootste archeologische vondsten van de laatste honderd jaar.
In verband met verbouwingen van het Museo Nazionale di Reggio Calabria die natuurlijk uitgelopen zijn, werden beide krijgers vier jaar lang in een kelder opgebaard. Schandalig natuurlijk en dat was zelfs teveel voor een aantal Italiaanse top kunsthistorici die er de UNESCO over aanspraken. Dit leidde tot een nieuw pleidooi afgelopen zomer bij de plaatselijke autoriteiten. Dat heeft blijkbaar het gewenste effect gehad bij de Provincie Calabrië die de noodzakelijke vijf miljoen euro’s ophoestte om het museum op te knappen om deze krijgers weer ten toon te kunnen stellen. 
 
Ze zijn daar in Calabrië blijkbaar ineens wakker geschrokken want de beelden staan weer in het museum. Ze koesteren hun bronzen krijgers anders heel erg want ze weigeren bij voorbeeld dat er kopies van gemaakt worden. Ze mochten ook niet naar Genua voor de G8-top in 2001 en ze weigeren nu ook dat ze tijdelijk naar Milaan verhuizen voor de wereldtentoonstelling daar in 2015. De enige uitstap die deze unieke krijgers gegund was vond plaats in 1981 toen ze op een triomftour door Italië trokken met uitverkochte tentoonstellingen in Rome, Florence en Milaan
 
Archeologen zijn het er overigens niet over eens of het nu krijgers, atleten of goden zijn. Ze hebben ook geen naam, alleen Riace A en Riace B. Beide mannen zijn naakt; de oudere man (Riace B) draagt een helm en de jongere (Riace A) toont zijn golvend haar. Waarschijnlijk waren ze ooit voorzien van speer en schild. Ze zijn van gegoten brons, maar hun oogleden en tanden zijn van zilver, hun tepels en lippen van rood koper, en de ogen zijn gemaakt van ivoor, kalksteen en een pasta van glas en amber.
 
Het geïnvesteerde bedrag zullen ze daar in Reggio di Calabria wel vlug terugverdienen want voor de verbouwing van het museum trokken deze bronzen alleen al 130.000 bezoekers per jaar.

24 januari 2014

Het kleine museum van Alanya

Als de toeristen al een museum bezoeken dat is het dat van Antalya en dat is absoluut een bezoek waard, maar weinigen de moeite om tot Alanya te gaan, zo een 120 km verder naar het oosten. Of dat nu meteen de omweg waard is? Misschien niet echt, maar het kan wel gecombineerd worden met het enorme fort dat van bovenop de heuvel de hele omgeving beheerst.
Het grootste deel van de voorwerpen in het museum zijn afkomstig van het Museum van Ankara en geven een goed overzicht van de kunstevolutie van Frygische en Lydische voorwerpen tot Archaïsch, Hellenistisch, Romeins, Byzantijns en Seljoeks aan toe. Jammer genoeg blijken veel van deze voorwerpen uit illegale opgravingen te komen of zijn onderschept voor het via de zwarte markt het land gingen verlaten, met als gevolg dat de juiste herkomst onbekend is. Ik erger me dus een beetje aan de bordjes die niets meer aanduiden en kunnen vermelden wat we als leek al zien met daarbij een algemene referte naar de periode. Er staat van alles wat, vazen, schaaltjes, lampen, borden, munten, kruiken en amforen, kleine beeldjes en sprekende koppen, in een rijke schakering van glas, aardewerk, marmer, brons en zilver.
Maar we vinden hier wel een aantal aparte dingen. Zo is er bij voorbeeld een in steen gebeitelde brief van Septimus Severus aan de inwoners van het naburige Syedra en een Fenicische inscriptie uit het eveneens naburig Laertes uit 625-600 v.C. die meteen de oudst gekende inscriptie in die taal is. Een bijzondere bronzen uitbeelding van de gevleugelde Pegasus uit de 1ste-2de eeuw die ooit een schip sierde en gevonden werd in Antiochia ad Cragum. Verder een fragment van het eervolle ontslag van een Romeinse infanteriesoldaat na 25 jaren trouwe dienst dat ook in Laertes werd gevonden en dateert uit 138 n.C. Volgens Romeins recht werd hij nu staatsburger en mocht hij een Pamphylische echtgenote nemen.
Het klapstuk van het museum en volgens wat ik hoor de reden waarom het überhaupt gebouwd werd, is een schitterende bronzen Heracles uit Anurtepe, ongeveer 35 km ten noorden van Alanya. Het beeldje van de gespierde held is 52 cm groot en werd door mensen uit de buurt gevonden; de rest van het antieke stadje wacht nog op eventuele opgravingen. Deze Heracles of Hercules zoals de Romeinen hem noemden staat trouwens in een apart zaaltje met aan zijn voeten een prachtige mozaïekvloer uit Syedra, duidelijk Romeins en mooi afgedekt met glas waar je over mag lopen. Ook opvallend is het levensgroot (onthoofde) beeld van een vrouw uit Laertes die belangrijk genoeg geweest moet zijn om in brons uitgebeeld te worden.
Buiten staan nog een heel aantal Romeinse sarcofagen onder een afdak en in de tuin kun je bovendien een reconstructie van een antieke wijnpers bewonderen. Al bij al dus best de moeite om er even binnen te springen!

26 december 2013

India belichaamd, in het kader van Europalia India

Deze tentoonstelling focust op het lichaam zoals dat in door de eeuwen heen in India benaderd werd. Alle facetten worden hierin belicht en toegelicht, van geboorte tot de dood tot wedergeboorte; ook de lotsbestemming, de menselijke krachten en zwaktes, tot in de uiterste ascese. 

Europalia India loopt in het Paleis voor Schone Kunsten van Brussel t/m zondag 5 januari 2014, dus wie belangstelling heeft voor dit land en zijn intrigerende cultuur kan er nog terecht want er zijn kunstwerken te zien die nooit eerder het land verlaten hebben.



Zelf ben ik er met een heel andere bedoeling naartoe gegaan, en wel om naar de sporen van het Hellenisme in India (dank zij Alexander de Grote) te vinden, want die zijn er al moet je met een kritisch oog rondlopen. Ik heb dus alle geschriften, tekeningen en schilderingen links laten liggen en me alleen geconcentreerd op de beelden en de reliëfs. De oudste gaan terug tot de 2de eeuw voor Christus en de meest recente waar ik Hellenistische trekken in terug gevonden heb dateren uit de 4de eeuw na Christus, wat ongeveer overeenstemt met de laatste invloeden in de Romeinse tijd in het westen.

Het ligt gewoon aan de gelaatsuitdrukking, de houding van een beeld rustend op één been, de weergave van de tunica of lendendoek, een randje met palmetten en vier-bladerige bloemen zoals die op de caissons in Griekse gebouwen voorkomen, of een fries met allerlei actieve figuurtjes in de stijl van de Pompeiaanse amorini bij voorbeeld. Er staan o.a. een paar schitterende beelden van Boeddha en Bodhisattva die zo uit de smeltkroes van de Indo-Griekse beschaving komen. Een lust voor het oog.

Maar, zoals gezegd, dit is mijn zienswijze. Wie meer wil weten over yoga, ayurveda en kamasutra komt hier absoluut aan zijn trekken. De uitleg is zeer volledig, de objecten heel goed gepresenteerd en de verlichting optimaal.

15 december 2013

Petra, een openluchtmuseum als geen ander

Petra is het erfgoed van de Nabateeërs, een nijvere Arabische stam die zich meer dan 2.000 jaar geleden in zuidelijk Jordanië vestigde. Gelegen op het kruispunt van oude handelsroutes, leefde Petra van het tolgeld dat de kameelkaravanen op hun doortocht naar de Middellandse Zee moesten betalen voor hun specerijen, wierook en mirre. De goederen waren afkomstig uit Arabia Felix, het Arabische schiereiland, en werden via verschillende havens aan de Rode Zee aangevoerd. In ruil daarvoor gaven de Nabateeërs kleding, gekleurd met Fenicisch purper, en andere luxeproducten door. Ze exploiteerden ook het asfalt van de Dode Zee dat ze aan de Egyptische balsemers verkochten.

Het waren de nazaten van Alexander de Grote die de hellenistische stempel op Petra drukten en het hoogtepunt van de Nabateeërs zelf werd tussen 312 v.C. en 106 n.C. bereikt, toen de Romeinen de stad inlijfden bij de Provincia Arabia. Dit zette vreemd genoeg het verval van Petra in. Vanaf de 3de eeuw zochten de christenen hier nog beschutting maar ten tijde van de Islam raakte de stad al in de vergetelheid. Pas in 1812, hoorde de Zwitserse ontdekkingsreiziger, J.L. Burckhardt, via een aantal plaatselijke bedoeïenen van het bestaan van Petra. Grondige opgravingen kwamen eerst in het midden van vorige eeuw op gang en sinds de jaren 1990 staat Petra op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Een dertigtal jaren geleden is men bovendien begonnen met de Bedoeïenen die toen nog in deze oude tempels en graven huisden, onder te brengen in nieuwe woningen in de buurt om zodoende deze unieke gebouwen te bewaren voor het nageslacht. Gelukkig maar.

Ik ben helemaal in mijn element als ik zo bijna alleen door de Siq loop, t.t.z. de smalle sleuf in de 80 meter hoge rotswand die naar het hart van Petra voert. Ik geniet van de stilte en de steeds veranderende lichtval op de rotsen met weerkaatsingen op de tegenoverliggende wand. Ik zie nu allerlei details die me ontgaan zijn tijdens mijn vorig bezoek. Af en toe kan ik ook flink doorstappen, geen getreuzel van andere toeristen die voor mijn voeten lopen. Ik ben nu ook weer betoverd door de verrassende blik op de beroemde Schattentempel (het Al Khazneh) aan het einde van de spelonk. Vandaag staat de zon er nog net en ik zie meteen de uitgehouwen holtes opzij van het gebouw, daar waar de bouwers een steunpunt voor hun voeten hadden tijdens het hakken en beitelen. Het is duidelijk een erfstuk van het Hellenisme en de rozerode rots lijkt in het volle zonlicht wel op doorschijnend albast. Ik werp natuurlijk ook binnen even een blik waar de opeenvolgende lagen van wit en rozerood een uniek patroon schetsen.

Het dal wemelt van de necropolen in de rotswanden aan weerszijde, ook wel Koningsgraven genoemd omdat ze zo majestueus zijn - niet omdat er ooit enige koning in begraven werd. Soms liggen de gevels op verschillende hoogtes of langs paden die naar hoger gelegen tombes lopen. Iedereen vindt er wel zijn gading, met eigen stijl, vorm en grootte. Typisch eigen aan deze rots mausoleums zijn de reliëfs in trapvorm met een of twee rijen trapkantelen of treden die dan van beide kanten naar de midden ingang van de tombe liepen. Hierdoor kon de ziel van de overledene zijn weg naar het hiernamaals makkelijker vinden.

Ik loop verder, richting Theater dat helemaal in de rots uitgehouwen is en waarschijnlijk uit de tijd van Keizer Augustus dateert. Hier besluit ik om rechts naar boven de weg in te slaan naar de Basilica. Deze is vrij ruim, breder dan hij diep is, en pronkt met drie gewelfde ingangen. Jammer dat de muren en het plafond helemaal zwartgeblakerd zijn. Het uitzicht over Petra beneden is de klim op zich absoluut waard.

Nu gaat het bergafwaarts en dan rechts aanhoudend in de richting van een dak dat over een uitgegraven mozaïekvloer is gezet. Hier blijken resten van een Byzantijnse kerk te liggen met een centraal koor ooit met marmer geplaveid en gescheiden van de zijbeuken door een rij zuilen waar nu alleen nog de funderingen van overeind staan. Beide zijbeuken zijn volledig met mozaïeken bedekt, links met vogel- en bloemmotieven, rechts met die van dieren en mensen (heiligen?). Goed bewaard, maar een beetje grof zoals al het Byzantijnse werk. In de halfronde apsis zie ik nog een paar stukken van de originele marmerbekleding. Terug in het voorportaal beland ik bij een soort atrium dat met zuilen omzoomd was met in het midden de resten een waterput. Knap gedaan en goed gerestaureerd.

Hiervandaan loop ik nu helemaal naar beneden richting Decumanus met zijn Romeinse bestrating, dwars door de droge wadi, naar de grote tempel aan de overkant van de weg. Dit is de Tempel van Zeus waar lange tijd aan gewerkt werd en die nu voor de bezoekers is vrijgegeven. Het complex is stukken groter dan ik me kon inbeelden, met een majestueuze entreetrap alsof de god in persoon hier boven op de troon moest gaan zitten! Nou ja, waarschijnlijk was dat ook wel de bedoeling. Over de jaren heen is de tempel herhaaldelijk verbouwd en vergroot, met zelfs een klein theatertje achteraan met een heuse spil as voor het ronddraaiende toneeltje. Helemaal achterin word ik verrast door resten van fresco’s en stucwerk op de muren - een onverwacht stukje luxe. We zijn zo gewend om kale muren en zuilen te zien dat we gewoon vergeten hoe de gebouwen er oorspronkelijk uitzagen met hun veelkleurige versieringen. Mijn dag is weer goed!

De Decumanus eindigt hier bij de monumentale Temenos Poort, net iets voorbij het Nympheion dat de stad van drinkwater voorzag. Buiten het centrum van Petra ligt dan de geelkleurige Tempel van Qasr el Bint, de enige losstaande constructie van Petra waar ik nu ook binnen mag. Enorm hoog blijken deze muren te zijn, en halverwege zijn nog duidelijk de vierkanten uitsparingen te zien waar de balken voor de vloer van de bovenverdieping in zaten.

Naast het lunchadres ligt een klein museum, een beetje stoffig en verouderd, maar het is toch de moeite waard om er een kijkje te nemen. Wat vaasjes en potjes, een aarden trechter, een beeldje van Venus, een marmeren hoofd van Keizer Hadrianus (ja, hij is er ook weer bij!), wat geldstukken en votief beeldjes – gewoon leuk omdat het hier helemaal bij past.

Dan start ik de lange klim naar het klooster boven, 800 treden en gladde door zand gepolijste vloertjes verder. Dat zal niet meevallen, maar ik vertik het gewoon om een ezeltje te nemen dat me regelmatig wordt aangeboden. Ik sta liever met beide benen op de grond hoor, als is die nog zo ongemakkelijk en vermoeiend.

De Tempel van El Deir, op latere leeftijd tot klooster bevorderd, ligt te pronken in de middagzon. Het is een broertje van het Schattenhuis, alleen niet zo overdadig versierd maar wel met puur Hellenistische invloeden. Ik loop nog even door tot aan de rand van de hoogvlakte voor een kijkje over de Wadi Araba die helemaal naar Israel loopt.

Nou dat was me de tippel wel! Blijkt achteraf dat mijn rondje wel 14 km lang was, maar goed dat ik dit niet van te voren wist!

[Klik hier om alle foto's van Petra te bekijken]

1 november 2013

Het Louvre, Parijs

Een veel te groot museum om zomaar even te bezoeken.
In de laatste veertig jaar of zo ben ik er tientallen keren binnen geweest, de ene keer om de uitgebreide schilderijencollectie te bewonderen, dan weer voor de Franse beeldhouwkunst ten tijde van Lodewijk XIV, of de andere keer voor de oudhedenverzameling van de Soemeriërs tot de Romeinen, via de Assyriërs, Babyloniërs, Egyptenaren, Etrusken en de Grieken. Vóór de bouw van de centrale piramide moest je eindes lopen van de ene vleugel naar de andere, en zo ben ik wel eens verdwaald tussen de antieke meubels en de snuifdoosjes, Holbein en Erasmus op de zolderkamertjes, en de Koptische relikwieën in de kelder. Over de jaren zijn er stukken uit de collecties verhuisd naar de catacomben van het museum, terwijl er andere dan weer te voorschijn kwamen. Een bezoek is en blijft dus altijd een uitdaging.

Mijn voorkeur gaat natuurlijk uit naar de Grieks-Romeinse afdeling die onlangs helemaal gerenoveerd werd. Dat was eigenlijk hard nodig want veel beelden schreeuwden gewoon om een sopje! Maar na de herindeling heb ik echt wel moeten zoeken om bepaalde stukken die mij zo vertrouwd waren terug te vinden.

Tegenwoordig zijn bij voorbeeld alle terracotta beeldjes, al dan niet bestempeld als Tanagra-beeldjes, in eenzelfde zaal bijeengebracht. Hier staan pure juweeltjes met alledaagse tafereeltjes van mannen, vrouwen en kinderen, artiesten, godinnen, cupidootjes, en zelfs poppen met bewegende ledematen. Het meest opvallende terracotta vind ik dat van de Blauwe Dame uit 330-300 v.C. die door niemand minder dan Praxiteles is bewerkt. Hier staat ook het laatarchaïsche bronzen beeld van Apollo van Piombino, iets kleiner dan levensgroot met schitterend uitgewerkte haartooi.

De grote bazaltsteen met de wetten van de Babylonische Koning Hammurabi die geschreven zouden zijn rond 1772 v.C. is een must voor elke bezoeker, maar ook de hoogreliëfs uit de Assyrische paleizen van Khorsabad uit de 8ste eeuw v.C. die gevleugelde stieren met mensenhoofd voorstellen zijn een bezoek waard. Uit het Paleis van Darius I in Susa zijn er hele wanden van geglazuurd baksteen gehaald met daarop kleurrijke taferelen van gewapende soldaten, edele leeuwen en gevleugelde stieren, en ook een kapiteel met twee stierenkoppen dat ooit op de cederhouten zuilen van het paleis rustte.
Bijzonder is ook de eerste steen die gelegd werd door Darius I bij het graven van het kanaal dat de Nijl moest verbinden met de Rode Zee (522-486 v.C.). Soemerische priesters uit ongeveer 2500 v.C. met hun typische veren rokken die je met grote blauwe ogen aankijken en Bactrische prinsessen en godinnen in hun kaunakès van dezelfde oorspong. Drinkbekers, juwelen, en andere kleinere huishoudelijke voorwerpen mag je natuurlijk ook niet missen.

En zo beland ik dan in mijn knollentuin, de Grieks-Romeinse afdeling want al zijn veel beelden van oorsprong Grieks, we danken hun overlevering aan de vele Romeinse kopieën. Topkwaliteit is natuurlijk dat ene fries van het Parthenon in Athene, in mijn ogen mooier dan alle andere die in het British Museum staan. Beelden van Venus, Apollo, Aphrodite, Hermes, Athena en atleten worden afgewisseld met bustes van Plato, Socrates, Aristoteles, Pittacos en de knappe Antinoüs, de lieflijke Aphrodite uit Tralles en een bronzen Pan. Ik tref het met de lage zon die alle beelden weer tot leven lijkt te brengen.

En dan bereik ik in een hoekje dat voor mij heel belangrijk is waar minder gekende beelden staan van Alexander de Grote, maar ook van zijn opvolgers zoals Seleucos I Nicator, Ptolemeus I Soter, Ptolemeus II Philadelphus, Ptolemeus III Euergetus, Demetrius Poliorketes, Arsinoe II Philadelphus en Cleopatra, met uiteraard de onvermijdelijke Demosthenes. Hier staan nu ook de pilaren afkomstig van de Agora van Thessaloniki eind 2de/begin 3de eeuw met kariatideachtige figuren die ik voor het eerst gezien heb tijdens de tentoonstelling over Alexandre le Macédonien en nu dus definitief uit de kelder gehaald zijn. De beroemde Azara Hermes van Alexander de Grote, heel waarschijnlijk een kopie van Lysippos uit de 1ste/2de eeuw afkomstig uit Tivoli (Italië) mag ik niet missen. Vroeger stond hij in een donker hoekje en in tegenlicht bovendien, nu weer centraal maar jammer genoeg achter glas. Ook de jonge Alexander staat achter glas met een heel ongelukkige weerspiegeling. Zo is het altijd wat.


Zoals gezegd is dit slechts een deel van de enorme collectie van het Louvre natuurlijk. Ik geloof dat als je er elke dag naartoe zou gaan, je toch een jaar nodig hebt om echt alles te zien – en ik bedoel dan niet zo maar wat rondkijken.

[Klik hier om alle foto's van het Louvre te bekijken]

3 oktober 2013

Museum op de laagste punt op aarde, Jordanië

Bezoekers aan de Dode Zee beperken zich doorsnee tot een modderbad of het ronddobberen in het uiterst zoute water. Nu is er echter een nieuwe reden om erheen te trekken en dat is het nieuwe museum in Safi, Jordanië, dat in samenwerking met het British Museum in Londen tot stand is gekomen en midden vorig jaar zijn deuren opende. Hier hebben zowel geologische, menselijke als ecologische aspecten een plaats gekregen.
 

 
Het “Museum at the Lowest Point on Earth” staat vlakbij het Byzantijnse klooster dat ter nagedachtenis aan Lot gebouwd is en zijn vlucht uit de zondige steden Sodom en Gomorra die door God vernietigd werden.
 
Het gebied is niet alleen rijk aan Bijbelse geschiedenis, maar hier zijn ook 4.500 jaar oude potscherven, grafstenen en keramiek uit de Bronstijd bijeen gebracht. Verder zijn er resten te zien van een middeleeuwse suikerfabriek (Mamelukken), zeldzaam goed bewaarde Grieks-Romeinse kleding en over de 500 Griekse inscripties! Maar er zijn ook oude grafstenen te zien, afkomstig van verschillende Arabische, Joodse en Christelijke gemeenschappen in de regio.
 
Het museum is onderverdeeld in vier delen: De oorsprong van de Dode Zee; De mens en de Dode Zee; Het ecosysteem; en Zal de Dode Zee echt ten onder gaan? De wens tot het behoud van de Dode Zee wordt onder de loep genomen en twee documentaires van het museum dragen hiertoe bij: “Ecologie en de Dode Zee” en “De Dode Zee in gevaar”.
 
 
Om het beeld compleet te maken worden er ook gebruiksvoorwerpen getoond van de huidige dorpelingen en bedoeïenen.

[Foto’s:Hellenic Society for Near Eastern Studies]