Posts tonen met het label Zijderoute. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zijderoute. Alle posts tonen

8 juli 2021

Beeld van een Parthische edelman

Hoe uniek kan een vondst wel zijn? Dit meer dan levensgrote beeld van een Parthische man is in 1931 in stukken opgegraven bij een heiligdom in Shemi. 

Gezien zijn postuur en voorkomen wordt hij doorsnee beschreven als “Prins van Shemi” en dat is niet overdreven. Hij is een van de pronkstukken van het Nationaal Museum van Iran in Teheran en verlaat het land eigenlijk nooit. Voor de Alexander-tentoonstelling in Mannheim (Duitsland) en de bijzondere tentoonstelling van Iranese kunst in Assen (Nederland) werd een kopie getoond. 

Weinig is bekend over de Parthische kunst maar de voorbeelden die opgegraven zijn bewijzen dat de Parthen een hoge cultuur hadden. Het is moeilijk om deze edelman precies te dateren. 

Het Parthische Rijk ontstond rond 250 v.C, toen het zich losmaakte van de Seleuciden die zich een groot deel van Alexanders imperium in oosten hadden toegeëigend. Hun bloei hadden zij te danken aan het feit dat ze de Zijderoute naar China volledig controleerden. 

Na 500 jaar, in 224 n.C. viel het Parthische Rijk in handen van de oprukkende Sassaniden.

25 augustus 2014

Expeditie Zijderoute in de Hermitage, Amsterdam

De Zijderoute is natuurlijk een heel brede naam voor het netwerk van routes dat China met de Middellandse Zee verbond over een afstand van 7.000 kilometer. Langs deze wegen werden niet alleen goederen vervoerd maar ook ideeën werden op deze manier uitgewisseld. Karavanen met soms wel duizend kamelen, ossen en ezels trokken eeuwenlang over deze routes van oost naar west en omgekeerd. Zijde was de voornaamste handelswaar, maar China exporteerde ook lakwerk, papier en spiegels. Uit India vonden edelstenen als topaas en smaragd hun weg naar potentiële afnemers, samen met jade, parfums en henna. Uit Siberië werd bont aangevoerd en vanuit het Middellandse Zeegebied werd dan weer glas en textiel verhandeld. Centraal Azië dat een sleutelpositie op al deze routes bekleedde verhandelde dan weer zijn waardevolle paarden. Vanaf de tweede eeuw voor Christus tot aan het einde van de vijftiende eeuw toen de eerste Portugese schepen een directere zeeweg vonden floreerde handel over dit uitgestrekte wegennet.



Na de Chinese bijdrage over de Zijderoute een paar jaar geleden in Brussel, pakt nu ook Amsterdam uit met kunstwerken uit de steden die langs deze route lagen. Het gaat hier deze keer om stukken die in de Hermitage in St Petersburg beland zijn en nu hier geëxposeerd worden.

De topstukken staan meteen aan de ingang, wat ik eigenlijk jammer vind want het is net alsof je daarna in een anticlimax belandt. Hier wordt gepronkt met het pas gerestaureerd fresco uit het paleis van Varakhsha (Buchara) in het huidige Oezbekistan uit de 7de-8ste eeuw. Het stelt een godheid voor die het gevecht aangaat met een tijger, een panter en een ander roofdier dat ik niet kan herkennen.  De andere muurschilderingen verbleken daarbij vergeleken ofschoon het toch heel bijzonder is dat ze de tand des tijds überhaupt overleefd hebben. Het zou wel handig geweest zijn als er naast de fresco’s ook een tekening gevoegd was met daarop de contouren van wat ze voorstellen, want nu zijn de taferelen echt niet zo makkelijk te herkennen.

Op de bovenverdieping staat het grootste deel van de ruim 250 stukken ten toon. Ze zijn afkomstig uit dertien verschillende opgravingsites langs de Zijde Route. Aan elk van de dertien steden is een zaal gewijd, maar ik vind de kaartjes niet erg duidelijk – een aaneenschakeling van namen die bv. niet op een achtergrond met de huidige landen en steden geplaatst zijn. De voorwerpen beslaan voornamelijk de periode van de 4de tot de 8ste eeuw, maar aangezien je in elke zaal voorwerpen uit deze periode vindt is dat wel verwarrend.

Ook vind ik het jammer dat het geheel gepresenteerd wordt alsof de opgravingen (bijna) uitsluitend door de Russen werden en worden. Tegen het einde van de 19de eeuw kwamen de eerste avonturiers naar de Gobi woestijn. De eerste ontdekker was een Zweed, Sven Hedin, die gevolgd werd door Sir Aurel Stein, een autoriteit op dit gebied die voor de Britten werkte met als resultaat dat zijn vondsten in het British Museum beland zijn. Daarna kwamen de Duitsers, met voorop Professor Albert Grünwedel die wegens ziekte voornamelijk vervangen werd door Albert von Le Cocq. Hun buit werd naar Berlijn verscheept waar de grootste stukken ten offer vielen aan de geallieerde bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wat overblijft staat nu in het Dahlen Museum in Berlijn. Minder ingrijpend waren de expedities van de Fransen (die eerst en vooral rond Angkor aan het graven waren) met Professor Paul Pelliot, de Amerikanen (Langdon Warner) en de Japanners (Count Kozui Otani). Rusland heeft in het begin maar weinig uitgevoerd, maar het noordwestelijke deel van Mongolië viel onder het beheer van Tsaristisch Rusland zodat er in die tijd automatische stukken naar St Petersburg gegaan zijn. We moeten dan wachten tot het einde van Sovjet Unie eer de spade door de Russen weer opgenomen wordt en dat gebeurt nu in hun oude bezittingen in Centraal Azië, met name in Oezbekistan, Kazakstan, Kirgistan en Tadzjikistan.

Maar goed, mijn persoonlijke mening terzijde schuivend, moet gezegd worden dat hier unieke stukken te zien zijn die we waarschijnlijk zelfs ter plaatse in St. Petersburg niet te zien zouden krijgen.

12 september 2012

Musée Guimet, Parijs

Dit museum staat al tientallen jaren op mijn programma en eindelijk ben ik er toch geraakt! Het staat bekend voor zijn collectie Aziatische kunst, niet meteen mijn kopje thee want de puur Chinese, Japanse en zelfs Indiase kunstwerken kunnen mij nu eenmaal niet boeien – sorry voor de liefhebbers.

Nee, ik ging natuurlijk Alexander de Grote achterna, t.t.z. de sporen van het Hellenisme in Afghanistan, India, Pakistan en in Centraal Azië over het algemeen. Nou, daar ben ik echt wel aan mijn trekken gekomen!

Het Musée Guimet is onlangs grondig gerenoveerd en dat is ook te zien. De buitenmuren zijn gezandstraald en schoon, en binnen is alles uiterst modern ingericht met volop daglicht, overzichtelijke collecties, overal duidelijke bordjes met uitleg, het huisje bij het schuurtje houdend, een weelde aan vooral beelden en muurschilderingen.

Op zich zijn de Fransen pas laat in Centraal Azië gearriveerd, gewoon omdat ze het te druk hadden in het toenmalige Indochina met sites als Angkor om er maar eentje te noemen. Maar in 1922 is daar toch verandering in gekomen toen de koning van Afghanistan niet achter wilde blijven bij zijn buurlanden en een verdrag sloot met de Fransen om in zijn land opgravingen uit te voeren. Mensen als Joseph Hackin, die het Grieks-Romeinse glaswerk van Begram vond en de kunst van Gandhara aan het licht bracht; Jules Barthoux, die van 1926 tot 1928 op de site van Hadda werkte waar hij een aantal kloosters met Grieks-Afghaans stucwerk uit de 4de-5de eeuw vond (o.a. de prachtige Génie aux Herbes); en tenslotte Daniel Schlumberger die in 1952 op de Acropolis van Surkh kotal (Bactrisch Afghanistan) vaststelde dat de Kuchans de afstammelingen waren van de Grieks-Bactrische beschaving. De Franse opgravingen in Afghanistan zijn pas afgebroken met de inval van de Sovjet-Unie in 1979.

Maar dit museum huisvest ook heel veel schatten afkomstig van de steden langs de antieke Zijde Route waar een uniek boeddhistisch patrimonium bewaard gebleven is. Het woestijnklimaat heeft er in ruime mate toe bijgedragen om zoveel unieke documenten waaronder vele geschriften maar ook een enorm aantal boeddhistische fresco’s te conserveren. In Centraal Azië waren voor genoemde Joseph Hackin, andere Fransen actief, zoals Dutreuil de Rhings (1890-1895) en Paul Pelliot (1906-1909).

Ik kan hier moeilijk alle stukken gaan toelichten, maar al mijn foto’s zijn wel te zien op de link Musée Guimet. Als uitblinkers citeer ik b.v. de aarden bekers uit Mundigak (Afghanistan) die dateren uit  2700 v.C., puur Myceens of zelfs Byzantijns op het eerste zicht maar wat natuurlijk niet kan, met uit dezelfde streek een klein beeldje dat een broertje kon zijn van de kunst uit de Cycladen. Ik ben vooral gefascineerd door de prachtige beelden en hoofden van Boeddha en Bodhissatva uit Gandhara (Pakistan) en Hadda (Afghanistan) waar de hellenistische invloed gewoon van afdruipt! De beroemde “Génie aux Herbes” uit Hadda (3de-4de eeuw) is een echt pronkstuk al hangt hij een beetje ongelukkig hoog en op een gelijkkleurige achtergrond. En dan het inmiddels vertrouwde glaswerk uit Begram (Afghanistan) uit de eerste eeuw van onze jaartelling met fascinerende vormen van visjes en galjoenen in geblazen glas, maar ook blauwe, witte en doorschijnende vaasjes en bekers. Absolute uitblinkers zijn dan weer de slanke bekers die kleurrijk beschilderd zijn met mythologische figuren en gevechtstaferelen. Daar kan ik echt niet genoeg van krijgen! In de Chinese afdeling blijf ik ook even staan bij de terracotta figuren van Bactrische en Sogdische handelaars al dan niet met hun kamelen die in de 7de-8ste eeuw gemaakt zijn, een soort eerbetoon aan deze dappere kooplui die de woestijn van Centraal Azië doorkruisten.

Zoals gezegd, wilde ik dit alles vanuit het Hellenistische oogpunt bekijken en dat is helemaal gelukt. Wat een schatten, wat een pronkstukken, wat een weelde!

Dat de eerste Boeddhabeelden hellenistische trekken hadden wist ik al wel, maar nu krijg ik te horen dat voor die tijd Boeddha altijd abstract voorgesteld werd maar dat hij onder Griekse invloed in menselijke gedaante uitgebeeld werd, inclusief een Griekse toga! Geen wonder dat ik hier mijn ogen op uit kijk! Alexander moest het eens weten…

31 juli 2012

Afrasiab, Oezbekistan

Van het Museum van Afrasiab verwacht ik echt heel veel want dit is per slot van rekening het antieke Samarkand, het Maracanda van Alexander de Grote!

Meteen al bij het binnenkomen word ik geconfronteerd met een half duistere zaal waar alle vier muren bedekt zijn met levendige fresco’s. Ze werden in 1965 ontdekt in de ruïnes van een paleis daterend uit de 7de-8ste eeuw (ofschoon andere bronnen spreken van een privé-huis) en staan dus nu hier te pronken. Volgens een Chinese tekst zijn hier de “Vier Heersers van de Wereld” uitgebeeld: China, India, Iran en Turkije. De Chinese muur is makkelijk te herkennen met een festival waar de Keizerin op een boot vaart terwijl de Keizer aan het jagen is. De Iranese Wereld beeldt een religieuze rouwstoet uit Samarkand uit te ere van de voorvaders tijdens het Nowruz festival. Op de oostelijk muur wordt India weergegeven als land van astrologen en pygmeeën, maar dit fresco verkeert in zeer slechte staat. Van de Turkse delegatie is niet uit te maken wie of wat hier precies bedoeld is. De stukken zijn allemaal een beetje fragmentarisch en voor de menselijke figuren moet je wel creatief zijn om er gezichten en kostuums in te zien. Gelukkig staat er bij elk onderdeel een reconstructieschets van het tafereel. Duidelijker zijn dan weer de dieren te herkennen: paarden, olifanten, panters en grote vogels die er uitzien als zwanen en voor Zoroastrische offeranden bestemd waren.

In feite is het museum opgesplitst in vijf vertrekken, elk met een eigen (chronologisch) thema. De eerste ruimte is gewijd aan het verloop van de opgravingen zelf, met kaarten en maquettes. In de tweede ruimte wordt de vroege geschiedenis van Samarkand toegelicht, teruggaand tot de 4de eeuw v.C. met o.a. aardewerk uit de 6de-4de eeuw v.C., een gereconstrueerde kalkoven en wat stenen- en metaalgereedschap. Daarna komt de zaal met Alexander de Grote die de stad in 329 v.C. veroverde, voor mij natuurlijk hét hoogtepunt! Een schaalmodel van Afrasiab moet aantonen hoe geniaal Alexander te werk is gegaan bij de belegering van stad – alsof ik dat nog niet wist! Hier liggen ook wat gebruiksvoorwerpen, wapens en geldstukken, maar van de Alexandermunten zijn alleen foto’s te zien. Jammer is dat, ze hadden toch best wel minstens één echte munt van Alexander kunnen presenteren? Wel hangt er een grote kaart aan de muur met zijn hele veldtocht doorheen Azië, dat kan ik zelfs in het Oezbeeks lezen. Ook aanwezig is een verzameling Greco-Bactrische munten met o.a. de heersers met wat ik een tropenhelm noem – heel kenmerkend. In de vierde zaal komen stukken uit de 1ste-4de eeuw n.C. aan de beurt, waarin vooral het spirituele leven van de bewoners in de tijd van Zoroaster centraal staat – de Islam komt pas later (7de eeuw). De vijfde en laatste ruimte is eveneens gewijd aan de religieuze belevenis van de inwoners van Samarkand. Hier zijn voorwerpen te zien die betrekking hebben tot de verering van het vuur, een huiskapel, muurschilderingen, fragmenten van houten beelden, etc. Aangezien het Zoroastrisme met de komst van Islam totaal verwoest werd, blijkt Afrasiab het beste voorbeeld te zijn van de geloofsbelijdenis uit die tijd.

Afrasiab zelf strekt zich uit over een oppervlakte van maar liefst 220 hectares en ligt verborgen onder een 8-12 meter dikke laag aarde. Sinds eind 19de eeuw worden er hier met horten en stoten opgravingen uitgevoerd die o.a. een paleis uit de tijd van de Samanieden hebben blootgelegd. Maar Afrasiab, waarschijnlijk genoemd naar de legendarische koning van Turan, ligt ook aan de Zijderoute, eeuwenlang de belangrijkste verkeersader tussen India, China en Europa. Geen wonder dus dat we hier brede straten en hoge verdedigingswallen aantreffen, terwijl de huizen op zijn minst luxueus ingericht waren – getuigen de fresco’s die in het museum ondergebracht zijn. Maar er is ook een rijke verzameling aardewerk, gereedschap, terracotta beeldjes en geldstukken gevonden waarvan een deel (ik vermoed de mooiste stukken) in de Hermitage in St Petersburg beland is (de opgravingen werden voornamelijk door de Russen uitgevoerd) maar een niet te onderschatten aantal voorwerpen staat hier in het aanpalende museum.

[Klik hier om alle foto's van het Museum in Afrasiab te bekijken]