9 december 2014

Het hoofd van Augustus uit Meroë, Egypte, in de schijnwerpers

Onder de titel “The Meroë Head of Augustus: Africa defies Rome” opent het British Museum in Londen een speciale tentoonstelling op 11 december 2014.

Dit is wellicht de meest sprekende afbeelding van Keizer Augustus die we rijk zijn, een waar symbool voor de macht van Rome aan het begin van onze jaartelling.


Bronzen beelden zijn en blijven altijd zeldzame vondsten gewoon omdat het brons sinds de oudheid systematisch gesmolten werd en hergebruikt voor andere doeleinden. Toen dit hoofd van Augustus in 1910 opgegraven werd in Meroë in Egypte, aan de uiterste grens van het toenmalige Romeinse Rijk, zorgde het voor grote opschudding. De rest van het lichaam is verloren gegaan, maar dit gezicht straalt een enorme kracht uit omdat de ingelegde ogen ons als bezoeker zo doordringend aankijken.

In 27 v.C. na de burgeroorlog die volgde op de moord van Caesar, werd Keizer Augustus uitgeroepen tot alleenheerser van het Romeinse Rijk. Ten zuiden van Egypte, nu in noord Soedan, lag Meroë, dat van 800 v.C. tot 350 n.C. de hoofdstad van het Koesj Koninkrijk was. In 25/24 v.C. vielen ze Egypte binnen en verwoestten/roofden alle beeltenissen van Augustus. Aan de Romeinse eisen om de kostbare beelden terug te geven werd natuurlijk geen gevolg gegeven. In tegendeel, want als ultieme uitdaging vonden de Koesjieten niet beter dan het keizerlijke hoofd te begraven onder de trappen van hun overwinningsmonument in Meroë. Op deze manier vertrappelden de gelovigen de onthoofde beeltenis van Augustus wanneer ze het heiligdom betraden.

Met deze daad werd dit schitterende bronzen hoofd het symbool van het Afrikaanse verzet in de oude Koninklijke stad Meroë.


De tentoonstelling loopt nog tot 15 februari 2015 en is bovendien gratis toegankelijk.

[Picture from Wikipedia]

15 november 2014

Uitgelicht: de theepot

Een dagelijks gebruiksvoorwerp als een theepot lijkt wel erg banaal om erbij stil te staan. Wie over een theepot spreekt denkt waarschijnlijk meteen aan een Chinese pot of misschien zelfs aan een van de beroemde Engelse theepotten, maar wie schetst nu mijn verwondering als ik in een verloren museum als dat van Hattusa in Centraal Anatolië een theepot tegenkom uit de Hittitische periode die gedateerd wordt tussen 1650 en 1200 v.C.



Een pot die drie en half jaar oud is en er bovendien nog net zo uitziet als onze hedendaagse pot. Zonder het te weten zouden we hem verwisselen met een zeer moderne versie van onze vertrouwde theepot – new design of zoiets. Niet te geloven toch?

26 oktober 2014

Schatten van Macedonië in het Museum van Pella

Van 5 september 2014 tot en met 30 september 2015 pakte het Nieuwe Archeologische Museum van Pella uit met een unieke collectie voorwerpen afkomstig uit verschillende graftombes onder de titel Macedonian Treasures.


Met name worden de necropolissen van Aiges en Archontiko genoemd, maar over het algemeen gaat het om opgravingen van de laatste 25 jaar die voor het grootste deel nooit eerder tentoongesteld werden. Goud voert de hoofdtoon natuurlijk met de vele kronen, maskers en wapens, maar er zijn ook unieke beelden en vaatwerk van albast, metaal en terracotta. Naar het schijnt zijn sommige voorwerpen in 2011 naar Oxford gegaan voor de speciale tentoonstelling in het Ashmolean Museum en ook naar het Louvre in Parijs voor Alexandre le Macédonien, maar die zijn nooit aan het Griekse publiek getoond.

De bedoeling is om een coherent overzicht te geven van het Macedonië uit de Archaïsche en Klassieke periode die aan de basis ligt van de latere welvaart van dit land.


Klik hier om een aantal van de prachtige foto’s te bewonderen die gepubliceerd werden door Proto Thema News.

23 september 2014

De unieke beelden van Nemrud Dağ onderbrengen in een museum?

In augustus 2014 verscheen er een artikel in The Hurriyet Daily News dat de bouw van een bijzonder museum in Adiyaman aankondigde. Men is namelijk van plan om kopies te maken van de kolossale beelden die op de top van de naburig Berg Nemrud staan en die daarin onder te brengen. De bedoeling is om dit erfstuk aldus te bewaren daar men vrees dat de originele stukken verder aangevreten zullen worden door de extreme weersomstandigheden bovenop de berg.


Normaal zou men de originele stukken in een museum onderbrengen natuurlijk maar in dit geval is dat onmogelijk aangezien ze veel te groot en te zwaar zijn om ze te verplaatsen, te meer omdat er geen weg is die hierheen leidt en ook niet aangelegd kan worden op deze hoogte.


Het is de bedoeling dat de bezoeker aan het nieuwe Adiyaman Panorama en Archeologisch Museum de indruk krijgt alsof hij op de top van deze kunstmatige berg staat. Een zeer ambitieuze doelstelling die volgens mij niet echt haalbaar is omdat de bezoeker nooit de fascinatie van de plek zal ondergaan, noch het unieke gevoel om op de top van de wereld te staan. Dat kan alleen op de Nemrud Dağ zelf.

25 augustus 2014

Expeditie Zijderoute in de Hermitage, Amsterdam

De Zijderoute is natuurlijk een heel brede naam voor het netwerk van routes dat China met de Middellandse Zee verbond over een afstand van 7.000 kilometer. Langs deze wegen werden niet alleen goederen vervoerd maar ook ideeën werden op deze manier uitgewisseld. Karavanen met soms wel duizend kamelen, ossen en ezels trokken eeuwenlang over deze routes van oost naar west en omgekeerd. Zijde was de voornaamste handelswaar, maar China exporteerde ook lakwerk, papier en spiegels. Uit India vonden edelstenen als topaas en smaragd hun weg naar potentiële afnemers, samen met jade, parfums en henna. Uit Siberië werd bont aangevoerd en vanuit het Middellandse Zeegebied werd dan weer glas en textiel verhandeld. Centraal Azië dat een sleutelpositie op al deze routes bekleedde verhandelde dan weer zijn waardevolle paarden. Vanaf de tweede eeuw voor Christus tot aan het einde van de vijftiende eeuw toen de eerste Portugese schepen een directere zeeweg vonden floreerde handel over dit uitgestrekte wegennet.



Na de Chinese bijdrage over de Zijderoute een paar jaar geleden in Brussel, pakt nu ook Amsterdam uit met kunstwerken uit de steden die langs deze route lagen. Het gaat hier deze keer om stukken die in de Hermitage in St Petersburg beland zijn en nu hier geëxposeerd worden.

De topstukken staan meteen aan de ingang, wat ik eigenlijk jammer vind want het is net alsof je daarna in een anticlimax belandt. Hier wordt gepronkt met het pas gerestaureerd fresco uit het paleis van Varakhsha (Buchara) in het huidige Oezbekistan uit de 7de-8ste eeuw. Het stelt een godheid voor die het gevecht aangaat met een tijger, een panter en een ander roofdier dat ik niet kan herkennen.  De andere muurschilderingen verbleken daarbij vergeleken ofschoon het toch heel bijzonder is dat ze de tand des tijds überhaupt overleefd hebben. Het zou wel handig geweest zijn als er naast de fresco’s ook een tekening gevoegd was met daarop de contouren van wat ze voorstellen, want nu zijn de taferelen echt niet zo makkelijk te herkennen.

Op de bovenverdieping staat het grootste deel van de ruim 250 stukken ten toon. Ze zijn afkomstig uit dertien verschillende opgravingsites langs de Zijde Route. Aan elk van de dertien steden is een zaal gewijd, maar ik vind de kaartjes niet erg duidelijk – een aaneenschakeling van namen die bv. niet op een achtergrond met de huidige landen en steden geplaatst zijn. De voorwerpen beslaan voornamelijk de periode van de 4de tot de 8ste eeuw, maar aangezien je in elke zaal voorwerpen uit deze periode vindt is dat wel verwarrend.

Ook vind ik het jammer dat het geheel gepresenteerd wordt alsof de opgravingen (bijna) uitsluitend door de Russen werden en worden. Tegen het einde van de 19de eeuw kwamen de eerste avonturiers naar de Gobi woestijn. De eerste ontdekker was een Zweed, Sven Hedin, die gevolgd werd door Sir Aurel Stein, een autoriteit op dit gebied die voor de Britten werkte met als resultaat dat zijn vondsten in het British Museum beland zijn. Daarna kwamen de Duitsers, met voorop Professor Albert Grünwedel die wegens ziekte voornamelijk vervangen werd door Albert von Le Cocq. Hun buit werd naar Berlijn verscheept waar de grootste stukken ten offer vielen aan de geallieerde bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wat overblijft staat nu in het Dahlen Museum in Berlijn. Minder ingrijpend waren de expedities van de Fransen (die eerst en vooral rond Angkor aan het graven waren) met Professor Paul Pelliot, de Amerikanen (Langdon Warner) en de Japanners (Count Kozui Otani). Rusland heeft in het begin maar weinig uitgevoerd, maar het noordwestelijke deel van Mongolië viel onder het beheer van Tsaristisch Rusland zodat er in die tijd automatische stukken naar St Petersburg gegaan zijn. We moeten dan wachten tot het einde van Sovjet Unie eer de spade door de Russen weer opgenomen wordt en dat gebeurt nu in hun oude bezittingen in Centraal Azië, met name in Oezbekistan, Kazakstan, Kirgistan en Tadzjikistan.

Maar goed, mijn persoonlijke mening terzijde schuivend, moet gezegd worden dat hier unieke stukken te zien zijn die we waarschijnlijk zelfs ter plaatse in St. Petersburg niet te zien zouden krijgen.

6 augustus 2014

Uitgelicht: de Kariatiden

De Kariatiden zijn maar een klein onderdeel van de hele Acropolis in Athene. Zij staan vrij afzijdig van het Erechteion met haar slanke Ionische zuiltjes en nog bestaande caissons van het plafond. De Kariatiden ondersteunen het dak van wat niet meer dan een balkon lijkt te zijn, een vreemd toevoegsel. Ware het niet voor deze opvallende vrouwenfiguren zou men hier zonder meer aan voorbij lopen.

In het kader van het restauratieproject op de Acropolis zijn de originele Kariatiden verwijderd en vervangen door kopieën. De originelen kregen een ereplaats in het in 2009 geopende nieuwe Acropolis Museum. De archeologen hebben aan de hand van hun kleden en haar kunnen concluderen dat het hier om tieners gaat, afkomstig uit vooraanstaande Atheense families die tijdens de festivals een leidinggevende plaats bekleedden in de heilige processies. Ze zijn het toonbeeld van huwbare dochters, gezond en knap.

 

Het schoonmaken van deze meer dan levensgrote beelden gebeurt met laserstralen volgens het systeem dat ook voor het Parthenon zelf toegepast werd. Het werk is zeer precies en uiterst vermoeiend en de lasertechnici kunnen hier maar een paar uur achtereen aan werken, dus werkt men in ploegen. Als je bedenkt dat men slechts millimeter per millimeter kan behandelen is het niet vreemd dat het gemiddeld zes tot acht maanden duurt om één enkel beeld te behandelen. Maar er zijn tegenvallers daar waar de vervuilde laag bijzonder dik is en men drie of vier maal over dezelfde plek heen moet gaan. Tegelijkertijd verwijderen de conservators ook het cement van vroegere reparaties en worden de roestende verbindingspennen vervangen door nieuwe exemplaren van titanium. Tenslotte wordt de marmeroppervlakte bespoten met een beschermingslaag van calciumhydroxide.

Het resultaat is natuurlijk spectaculair want nu komt elk detail en het hele spel van licht en schaduw helemaal tot zijn recht. De gevlochten haartooi die door weer en wind beschermd aan de binnenkant van het Erechteion stond is bijzonder fraai bewaard gebleven. En dan moet men natuurlijk bedenken dat de kleding van deze elegante dames ooit helemaal beschilderd was, maar eeuwen van regen hebben elk spoor van pigment voorgoed uitgewist. Men hoopt echter om dankzij moderne beeldtechnieken hiervan nog evengoed wat sporen van te voorschijn te kunnen halen. Dit zou uiteraard een heel nieuwe aanblik geven en de bezoeker zou een heel ander beeld van deze Kariatiden krijgen.

Spannend toch allemaal. Misschien zullen na afloop de kopies op de Acropolis zelf ook nog vervangen worden met meer gedetailleerde beelden?

15 juli 2014

Meer Egyptische kunst te zien in Cairo

Protesten en verkiezingen halen het nieuws, maar niet wat er op archeologisch vlak gebeurt. Er is zomaar goed nieuws uit Egypte!

Het Archeologisch Museum van Cairo heeft besloten om elke maand een ander voorwerp in de schijnwerpers te zetten. Ze gaan eindelijk eens stukken uit hun enorme depot naar boven halen en die in een speciale vitrine tentoonstellen. Applaus voor dit initiatief!

En ze gaan nog verder met hun goede voornemens. Zo zal er vanaf eind 2014 een permanente tentoonstelling georganiseerd worden op het internationale vliegveld van Cairo. Een honderdtal voorwerpen zal daar te zien zijn afkomstig uit het Archeologisch Museum van Cairo en nog eens een honderdtal uit andere musea in Egypte die representatief zijn voor alle tijdvakken van Egyptes rijke geschiedenis. Mettertijd willen ze dergelijke tentoonstellingen ook op andere vliegvelden doorvoeren. Opmerkelijk is wel dat de expositie op Cairo’s vliegveld onder anderen gesponsord wordt door de UNESCO en het JICA (Japan International Cooperation Agency). 

Het kan weer leuk worden om naar Egypte te reizen.

18 juni 2014

Uitgelicht: een Sumerisch doosje

In plaats van een ruw overzicht van de vele stukken die elk museum wel rijk is, lijkt het me een goed idee om af en toe eens een bepaald stuk uit te lichten dat bijzondere aandacht vraagt, hetzij omdat het uniek is, of origineel of gewoon opvallend. Vandaag pik ik dit houten Sumerische doosje uit dat in het British Museum in Londen bewaard wordt, de zo genaamde Standaard van Ur.

Het is niet bekend waar het voor diende, misschien was het onderdeel van een muziekinstrument. Wat we wel weten is dat het 4.600 jaar oud is, dus dateert uit ongeveer 2.400 v.C. Het koffertje moet wel voor een heel bijzonder doel gemaakt zijn aangezien de versiering zo gedetailleerd en zo kostbaar is. Het is een hol kistje dat aan vier zijden ingelegd is met schelpen, lapis lazuli, rode kalksteen en parelmoer, vastgezet met pek.

De taferelen wijzen op een levendige en goed georganiseerde maatschappij.

De ene lange kant toont het Sumerische leger met infanterie, paarden en wagens dat de vijand te lijf gaat. Gevangenen worden voor de koning geleid die omringd is door zijn persoonlijke wacht terwijl zijn wagen achter hem staat opgesteld.

Aan de andere kant zien we een vredig tafereel aan het hof met onderdanen die geiten en vissen aanslepen voor het banket van de koning en zijn vrienden. Een man met een lier en een zanger zorgen voor de muzikale omlijsting.

De driehoekige zijpanelen zijn beschadigd maar daar staan fantasiebeelden op afgebeeld.

Al met al, een pronkstuk waar we allicht aan voorbij lopen, maar als je bedenkt hoe oud dit is en met hoeveel zorg het doosje gemaakt is, moet je toegeven dat het een echt pronkstuk is.

20 mei 2014

Gekoesterd in het Museum van Morgantina op Sicilië

Morgantina ligt slechts 80 km van Siracusa, het antieke Syracuse, verwijderd en zal heel waarschijnlijk niet bovenaan de lijst van bezienswaardigheden staan. Een grote fout en een groot gemis voor wie daar geen kijkje gaat nemen. Natuurlijk is het maar een klein en plaatselijk museum, maar wat er staat is wel zo bijzonder en meer dan de moeite waard.


Bij het binnenkomen worden we al meteen geconfronteerd met twee heel eigenaardige figuren van twee zittende dames in donkere tule gehuld met stralend witte handen, voeten en gezicht. Ze worden wel de akrolithische godinnen genoemd – akrolithisch omdat men alleen handen, voeten en aangezicht gevonden heeft wat er dus op wijst dat het eigenlijke beeld van vergankelijk materiaal gemaakt was, waarschijnlijk hout zodat alleen de marmeren uiteinden bewaard gebleven zijn; godinnen omdat ze zo voornaam van houding zijn. Oorspronkelijk zouden ze gekleed zijn in een wollen of linnen mantel, het hoofd bedekt met een sluier, terwijl het haar en de juwelen van kostbare metaal vervaardigd waren. Men gaat er overigens van uit dat hier Demeter en haar dochter Persephone uitgebeeld zijn. De lichtval op dit duo uit circa 530 v.C. is zeer juist getroffen en verhoogt de spanning die er van uitgaat.

In de volgende zaal staat dan een zwierig en meer dan levensgroot beeld  van wat de Venus van Morgantina genoemd wordt uit 420-410 v.C. Het beeld zelf is van kalksteen maar het hoofd, de armen en voeten zijn net als voor de eerder genoemde godinnen ook hier van Parisch marmer vervaardigd. We missen het haar (van verguld brons?) en de sluier die ze gedragen moet hebben waardoor haar hoofd er wat klein en onevenredig uitziet. Met haar zwierige jurk lijkt ze wel in de wind te staan, gewoonweg een schitterende verschijning!

En dan, last but not least, is hier een unieke zilverschat te zien die onder het huis van Eupolemos in Morgantina begraven lag. Jammer genoeg werd deze schat illegaal opgegraven en net als de Venus van Morgantina en de akrolithische godinnen langs smokkelroutes het land uitgevoerd. Aan de hand van een munt die in het huis van Eupolemos gevonden werd kan de zilverschat gedateerd worden tussen 214-212 v.C. Dit waren roerige tijden toen Carthago en Rome tijdens de Tweede Punische Oorlog vochten voor de alleenheerschappij over Sicilië. Volgens Livius werd Morgantina in 211 v.C. aangevallen en veroverd door de Romeinen, hetgeen dus overeenkomt met het begraven van de schat. Volgens een inscriptie op een loden tablet zou Eupolemos een hogepriester geweest kunnen zijn, eigenaar of bewaarder van deze kostbaarheden. Opvallend tussen de 16 stuks tellende schat is bij voorbeeld het ongeveer 11 cm hoge miniatuuraltaar dat maar liefst 370 gram weegt en versierd is met een Ionische tandlijst en een Dorisch fries van metopen en trigliefen; vier stierenkoppen voorzien van een gouden ster verbinden de guirlandes van vergulde ranken die er omheen hangen. Waarschijnlijk deed dit altaar dienst voor huisoffers maar dat is niet zeker.

Verder staan hier dus twee grote ovalen emmers, drie bekers met onderaan een reliëf van bloemen en bladeren, en kommetje met visnet motief (lijkt meer op een moderne voetbal), een kruik, een drinkschaal met twee oren, een offerschaal met zonnestralen in de bodem, een opscheplepel, twee pyxis (ronde doos) waarvan de ene deksel versierd is met een cupido die een fakkel draagt en de andere met een dame die een kind op haar schoot heeft, een prachtig medaillon met de afbeelding van Scylla en twee slanke hoorns die waarschijnlijk bij een lederen priestermasker hoorden. Op verschillende voorwerpen staan trouwens teksten opgedragen aan de goden en die zouden er op wijzen dat ze gebruikt werden voor plengoffers.

Uit nader onderzoek kan gesteld worden dat dit zilverwerk door kunstenaars uit Syracuse gemaakt is, en dat dit de enige voorbeelden zijn van de verfijnde smeedkunst uit de tweede helft van de derde eeuw voor Christus toen de stad de top van zijn macht en welvaart bereikt had.

Alle bovengenoemde voorwerpen zijn het resultaat van clandestiene opgravingen in Morgantina en hebben via de smokkelroutes hun weg gevonden naar de Verenigd Staten waar zij in verschillende musea tentoongesteld werden. Zo komt de Venus van Morgantina uit het J. Paul Getty Museum in Malibu, de akrolithische godinnen komen uit het Kunstmuseum van de Universiteit van Virginia en de zilverschat uit het Metropolitan Museum in New-York. Na jarenlange aanslepende discussies zijn deze unieke stukken nu weer thuis en staan ze te pronken in het Museum van Aidone waar Morgantina toe behoort.

25 maart 2014

NAUTILUS tentoonstelling met Alexander als klapstuk!


Tot 25 april 2014 loopt deze bijzondere NAUTILUS tentoonstelling nog in de BOZAR in Brussel. De titel verwijst naar de nauwe banden die Griekenland onderhield en nog onderhoudt met de Middellandse Zee – een zeer begrijpelijke relatie en dus voldoende reden om een kijkje te gaan nemen. Er zijn “maar” een honderdtal voorwerpen te zien maar die zijn wel voor de gelegenheid bij elkaar gebracht en sommige voorwerpen hebben ook voor het eerst hun thuismuseum verlaten.

Het is niet verwonderlijk dat er om te beginnen beeldjes en potscherven uit de Cycladen te zien zijn die uit rond 3.000 v.C. dateren. Hierna volgen vazen, schalen, tekeningen, reliëfs en kleine bronzen stukken uit de Minoische en Myceense periode. Eén van de pronkstukken is zeker de levensgrote muurschildering van een visser uit 1600-1500 v.C. die voor de gelegenheid uit het Archeologisch Museum van Thera overgekomen is. In de Myceense periode passen de twee schitterende gouden drinkbekers met krulfiguren die in een graf gevonden zijn en in het Archeologisch Museum van Pylos thuishoren. Van de ene knusse ruimte naar de volgende komt de bezoeker langs Griekse voorwerpen uit de archaïsche, klassieke en Hellenistische periode – meer in mijn straatje natuurlijk. Ik bewonder een paar theatermaskers, een aantal reliëfs uit kleine maar niet minder interessante musea, en zelfs een sierlijk bronzen beeldje van een jonge die op de rug van een dolfijn meerijdt en uit het Acropolis Museum van Athene komt.

Maar dan ineens sta ik als aan de grond genageld, want ik kijk Alexander de Grote pal in zijn gezicht! Nee maar, wat doet hij hier? Op deze vraag krijg ik geen antwoord, maar ik herken natuurlijk meteen het hoofd van de jonge Alexander uit het Museum van Pella dat dus bij mijn laatste bezoek niet aanwezig was. Nou, mijn dag kan niet meer stuk natuurlijk, en mijn museumbezoek dus ook niet. Hier liggen ook een aantal munten waaronder een zilveren tetradrachme van Alexander, een gouden stater ook met de beeltenis van Alexander en daarnaast een gouden stater met het profiel van Ptolemeus I Soter.

In de laatste expositieruimte zijn drie schitterende bronzen beelden te zien, waarschijnlijk uit zee opgevist. Daterend uit de tweede eeuw van onze jaartelling zien we achtereenvolgend het beeld van een onbekende man, a prachtig hoofd van een man met ingelegde ogen die een Macedonische kausia draagt, en de voorste helft van een levensgrote dolfijn.

Tussen de antieke stukken door staan ook moderne oeuvres, in mijn ogen nietszeggende voorwerpen die bovendien niets toevoegen aan de tentoonstelling. Alleen de foto’s van de zeezichten geven een vleugje van Griekenland weer, toen en nu – de Middellandse Zee blijft tenslotte wat hij was.