3 juli 2011

De Piramides, een van de Zeven Wereldwonderen

Daar staan ze dan, de Drie Grote Piramiden. Er omheen en in buurt staan nog een aantal kleinere piramiden en trappiramiden, tussen de 80 en de 100 stuks naar het schijnt! Ineens houdt de stad op en rijden we de helling op naar het Gizeh-Plateau, waar dit Wereldwonder staat. Ook hier de nodige controles door de metaaldetectors en ik heb er deze keer wel begrip voor. Stel je voor dat een of andere fanaat de boel hier komt opblazen, dat risico kun je natuurlijk niet lopen. Later zie ik ook op diverse plaatsen nog gewapende patrouilles met jeeps en zwaailichten rondrijden. Zelfs van op de kamelen houdt de politie de mensenmassa in de gaten, want zij kunnen toch op plaatsen komen waar de jeep onbruikbaar is, denk ik zo.

De eerste piramide die we tegenkomen is meteen de grootste, die van Cheops, gebouwd rond 2550 v.C. Ik ga naast zo een blok staan en ben verwonderd dat hij tot aan mijn schouder reikt. Wat een dingen! Hier liggen dus 2,5 miljoen blokken opgestapeld als een blokkendoos, in een perfecte driehoek van 146 meter hoog. Dat is anderhalf maal de hoogte van het Atomium, bedenk ik, maar dit lijkt groter gewoon omdat de massa breder en imposanter is. De ingang die nu gebruikt wordt is ooit door grafrovers gemaakt want de oorspronkelijke entree ligt nog iets hogerop aan deze noordzijde. Ik kan hier geen afstand nemen om de piramide op de foto te krijgen, maar naar het schijnt kan dat verderop wel waar we dan de Drie Grote Piramiden bij elkaar kunnen zien. Je kunt de afstand tussen deze piramiden trouwens niet belopen, tenzij je daar heel veel tijd voor uittrekt, en we worden met de bus van de ene uitkijkpost naar de andere gebracht.

De tweede piramide is die van Chefren, de zoon van Cheops, en die heeft nog zijn afwerkinglaag op het tjoepie, een dikke witte kalklaag waarmee alle drie de piramiden oorspronkelijk bedekt waren. Hierdoor leken ze echt wel te schitteren in het helle woestijnlicht. Deze piramide van Chefren (2520-2494 v.C.) is tien meter kleiner dan die van Cheops maar staat wel tien meter hoger op deze hoogvlakte, dus lijken beide even groot. Als enige was de uiterste top van deze piramide ooit bedekt met een laagje goud. Dat moet wel wat geweest zijn!

Het zijn echt wel enorme steenmassa’s waar ik tussen kom te staan en een juiste hoek om de Drie Grote Piramiden op de gevoelige plaat vast te leggen schijn ik niet te kunnen vinden. Ach, wat maakt het ook uit, waarschijnlijk zal ik alleen maar kunnen zeggen welke piramide er wel op staat en welke niet. Een piramide is een piramide, zo dacht ik er tot nu toe zelf trouwens ook over.

De derde en kleinste piramide is die van Mykerinos, “slechts” 65 meter hoog, ofschoon de basis toch nog wel 105 meter lang is. Hij ligt een paar honderd meter verderop en we komen er niet dichtbij. Deze piramiden is, in tegenstelling tot die van Cheops en Chefren, niet te bezoeken. Natuurlijk wil ik graag binnen een kijkje nemen, maar ik blijk de enige liefhebber te zijn …. Nou ja, alleen vind ik het toch een beetje eng, dus dan maar niet.

We krijgen uiteraard de geijkte theorieën te horen over de bouw van de piramides, over de zandhellingen waarover de tonnen wegende blokken op boomstammen omhoog gerold werden; dat het boeren waren die in de wintermaanden toch niet op hun akkers konden werken en geen slaven die deze arbeid verrichtten; dat de Grote Piramide op 20 jaar tijd overeind gezet werd, etc. Ik laat dat maar over mij heengaan, goed wetende dat dit de huidige overtuiging is van archeologen en egyptologen waar ik zelf helemaal niets van geloof.

Ik kan het niet helpen, maar de logische redeneringen van Erich von Däniken zijn volgens mij nog door geen enkele archeoloog of deskundige op overtuigende wijze weerlegd, en i.v.m. de 2,5 miljoen blokken van de Grote Piramide citeer ik: “Het gewicht varieert van één tot veertig ton, maar de meeste [blokken] wegen ongeveer drie ton. Als er twintig jaar aan de piramide is gebouwd, zijn er dus jaarlijks 125.000 stenen verwerkt. Het lijkt me een redelijke veronderstelling dat zelfs de oude Egyptenaren wel eens een vrije dag hadden. Ook zonder vakbonden waren er bepaalde feestdagen. Laten we daarom uitgaan van 300 werkdagen per jaar. Delen we die 125.000 stenen door 300 dagen, dan komen we op 416,6 stenen per dag. Bij dat soort cijfer kijken we niet op een uurtje meer of minder, dus ga ik ervan uit dat de piramidebouwers 12 uur per dag werkten… delen we 416 stenen door 12 uur, dan houden we 34 stenen per uur over – dat wil zeggen elke twee minuten één blok steen. Maar in deze simpele berekening gaan we uit van kant-en-klare stenen, en dat klopt natuurlijk niet”. Knappe jongen die een betere verklaring kan geven!

Ik ga nog even door met mijn denkpuzzel. Chefren is dertig jaar na zijn vader Cheops aan de bouw van zijn eigen piramide begonnen. Die moet dan al af geweest zijn. Maar ook hier haal ik mijn vriend von Däniken erbij die vertelt over de bevindingen van de egyptologe Eva Eggebrecht: “... pas onlangs is bekend dat alleen al in de eerste tachtig jaar van de 4de dynastie in totaal 8.974.000 m3 bouwmateriaal is verwerkt in de piramiden van Snofru (2575-2551 v.C.), Cheops (2551-2528 v.C.), Djedefre (2575-2551 v.C.) en Chefren (2520-2494 v.C.). In deze tachtig jaar zijn maar liefst 12.066.000 steenblokken uit de rots gehouwen en vervolgens geslepen, opgemeten, gepolijst, vervoerd en op de juiste plaats in het betreffende monument aangebracht. Dat komt neer op 413 blokken per dag! En dan hebben we het nog niet eens over de graafwerkzaamheden, het egaliseren van het terrein, de productie en reparatie van gereedschappen, het opbouwen van sleephellingen en steigers, de aanvoer van het materiaal en de voeding van de arbeiders.” En dat allemaal met behulp van boomstammen die in het Nijldal überhaupt niet voorkomen? Nou ja, ik stoor de gids maar niet met deze theorieën, maar de vragen blijven bij mij wel open natuurlijk!

Ik schiet mijn prentjes, ze lijken allemaal op elkaar, maar voor mij betekent elke stop en elke stap een nieuwe aanblik. Ik zal hier niet meer terugkomen dus moet ik het nu allemaal wel vastleggen! Tussen en rondom de piramiden ziet het er rommelig uit met opgegraven stukken muur en puin, hier en daar een paar vierkanten zuilen of een ingangspoort naar wat allemaal omschreven wordt als tempels en tombes. Het zal wel, denk ik, ga dat maar uitzoeken! Herodotus beschreef ook al zoiets in de 5de eeuw v.C. Ik zal het hem nog eens moeten vragen zeker?

Aan de zuidkant weerkaatsen de piramiden het volle zonlicht en zijn de steenblokken tot aan de top duidelijk te onderscheiden. Jammer dat aan deze zijde van de piramide van Cheops een langwerpig modern museum is neergezet om één van de daar gevonden Nijlboten in onder te brengen. Dit is één van de gouden boten die in het graf aan de farao werd meegegeven om zijn oversteek naar het hiernamaals te maken, maar omdat de boten de piramide niet in konden, werden ze hier aan de zuidkant begraven. Een goed idee om daarvoor hier ter plaatse een museum te bouwen, maar waarom daarmee nu de best belichte kant van de piramide bedorven moest worden, snap ik niet. Maar ja, wie ben ik, hè?

En dan ligt daar in de diepte, heel plots en vreemd, de Sfinx, geklemd tussen de piramides en de souvenirwinkeltjes aan de rand van de stad. En ik maar denken dat de Sfinx aan de woestijnkant van de piramides stond! Dit unieke en raadselachtige bouwwerk ligt benauwd in een diepe rechthoekige put, zielig eigenlijk. Maar het is en blijft een mysterieuze kop die van boven op dat leeuwenlichaam de mensenmassa hooghartig aanstaart. Met hele hordes drommen ze inmiddels de lange weg op, vreemd genoeg niet eens zoveel westerlingen maar wel veel moslims al dan niet Egyptenaren, hele klassen en hele families bij elkaar in een bonte luidruchtige mengeling.

Nou dat was het dan. Ben ik hiervan nou onder de indruk, vraag ik me af? Ik weet het eigenlijk niet. Het is net of het verhaal klopt, een soort bevestiging dat de piramiden inderdaad bestaan omdat ik ze nu zelf gezien heb. Hoe groot en kolossaal dit allemaal is of in hoeverre dit alles tot de verbeelding spreekt, dat kan ik niet eens zeggen. Het is gewoon niet aan de orde. Vreemd vind ik dit van mezelf want ik heb hier nu toch het enige nog bestaande Wereldwonder met eigen ogen aanschouwd en ik ben er niet eens opgewonden over? Is het te kolossaal? Is het de drukte en de commercie er omheen waardoor ik de sfeer niet echt kan proeven? Of komt het door de stad Cairo zelf waar niets van uit gaat en die me niet kan boeien? Het blijven open vragen.

21 juni 2011

Bodrum, TK - Archeologisch Museum

Wat in Bodrum in mijn ogen dan echt wél de moeite waard is, dat is een bezoek aan het Archeologisch Museum, ook wel onderwater museum genoemd. Dit ligt binnen de muren van de zogenaamde Petrusburcht – voor liefhebbers van dit soort gebouwen, heel interessant – maar een must voor elke liefhebber van oudheden. Hier wordt namelijk de scheepsvracht tentoongesteld van een schip dat rond 1350 v.C. bij Uluburun, voor de zuidwest kust van Turkije is vergaan. Het oudste wrak ter wereld heet dat te zijn, en het is absoluut de moeite waard!
                       
De resten van het schip lagen op een diepte van 30 meter en de experts hebben maar liefst 22.430 maal moeten duiken om de hele lading boven te halen, want ze konden nooit langer dan 20 minuten achter elkaar onder water blijven. Archeologen zijn tot de conclusie gekomen dat dit schip met zijn rijke lading onderweg was van Egypte naar de Zwarte Zee toen het door een zware storm overvallen werd.

Die lading is trouwens zo wel het een en ander, en tijdens een van mijn reizen met Peter Sommer, kreeg ik de volledige inventaris te horen. Zo tellen we 234 staven kopererts (gegoten in de vorm van een dierenhuid) van elk 10 ton afkomstig uit Cyprus; ruwe tinerts voor het vervaardigen van brons (koper + tin) uit Perzië; een gouden scarabee van Nefertiti; gouden oorringen; het oudste boek ter wereld, t.t.z. twee houten aan elkaar gebonden plankjes die ooit met was bekleed waren; lapis lazuli uit Afghanistan; amforen en potten voor het transport van olijven en wijn; wapens, een bronzen dolk, een drietand, ivoor en ebbenhout uit Syrië; 175 schijven ruw glas dat met kobalt en turkoois ingekleurd was, ook afkomstig uit Syrië; 11 stenen ankers; een zilveren armband, wat afgedankt goud en zilver dat weer versmolten kon worden; amber uit de landen rond de Oostzee; olielampen, struisvogeleieren uit Afrika, touwen en twijndraad, een klankkast voor een luit, gemaakt van het carapax van een schildpad; gewichten voor weegschalen, etc. Het duizelt voor je ogen! Ik had geen idee wat men allemaal zo vervoerde en versleepte in de oudheid, behalve wat amforen met olie of wijn of potten met ingelegd vlees en groenten. Dit slaat werkelijk alles en een groot deel van de lading ligt hier dan net zo uitgestald als toen hij gevonden werd. Uiterst kunstig gedaan hoor!
                       
Ik leer hier ook dat men het schip heeft kunnen dateren aan de hand van de scarabee van Nefertiti. Een scarabee mocht alleen gemaakt worden bij het leven van een farao, dus in dit geval terwijl Nefertiti nog leefde. Vandaar dus de datum van 1350 v.C. Knap hé? Dat ene kleine stukje dat dan zo doorslaggevend is voor de hele vondst – wonderlijk!
                       
Op speciaal verzoek, waarschijnlijk als je de juiste mensen kent, wordt ook de zaal van Koningin Ada geopend. Hier word je verwelkomd door een levensgroot wassen beeld van Koningin Ada, 41-43 jaar oud, getooid met al haar juwelen: gouden kroon, ringen, armbanden, kettingen en gouden versieringen op haar jurk. Het is net echt.

Koningin Ada is mij bekend omdat zij Alexander de Grote als haar zoon ontving toen hij in 334 v.C. door Alinda trok op weg naar Halicarnassos. Het was namelijk zo dat zij na de dood van haar man die ook haar broer was, de troon van Halicarnassos zou bestijgen. Maar dit was buiten haar jongste broer, Pixodaros, gerekend die haar binnen vier jaar al had verbannen naar het afgelegen Alinda. Na zijn dood werd zijn schoonzoon Orontobates aangesteld als satraap en opvolger totdat Alexander de Grote daar aankwam. Alexander herstelde Koningin Ada weer in ere op de troon nadat hij Halicarnassos veroverd had. Een verhaal voor een sprookje toch?
                       
Verder zijn er tussen deze dikke muren natuurlijk sporen van de Kruisvaarders en van de Ridders van Rhodes te vinden, met stoere, degelijke en sombere vertrekken en gangen – een weerspiegeling van de tijd waarin ze leefden, denk ik dan. Maar ja, daar moet je van houden - ik heb namelijk iets tegen die Kruisvaarders. Nee, geef mij Alexander maar!


Manisa, TK - Museum van Sardes

Manisa is een dikke stip op de kaart, ongeveer 16 km ten noorden van Izmir, en met een beetje geluk kan ik er, via de autobaan die ik nu uitgeprobeerd heb, in goed twee uur zijn. Het is nog lekker koel (20 graden!) als ik uit Kusadasi wegrijd ofschoon het kwik een uur later al op 26 graden staat. De autobaan is er echt een volgens onze normen, met een goed wegdek, bordjes voor parking, picknick en benzine, keurig in het groen zoals een mens dat zou verwachten. Bij Izmir moet ik er af en beland ik in het stadsverkeer met zigeuners die bij de stoplichten staan te bedelen. Ik sluit alle ramen en vergrendel de deuren, men kan nooit weten nietwaar? Wegwerken en omleidingen, het is uitkijken om de bordjes richting Istanbul-Manisa niet te missen. Als ik op de grote weg zit en denk dat ik kan doorrijden heb ik het goed mis want ook hier is het wegdek aan vernieuwing toe en gaan we even zo vrolijk van drie banen over naar één en dan weer terug. Bovendien moet ik weer een van die oost-west bergruggen over met steil klimmen en dalen.
                                                           
Iets na tienen rijd ik dan toch Manisa binnen, een brede boulevard met groene middenstrook en een 70 km zone waarin alle lichten op groen staan. Een bordje museum verwacht ik niet meteen, maar centrum zal ook wel goed zijn. Zo beland ik in de drukke straatjes, half geasfalteerd met vele kuilen en modderplassen. Allerlei bordjes waar ik niet wijzer van word, dan is de straat afgezet, verboden links af te slaan, en evengoed gaat de auto voor mij er in. Ik volg dus maar en probeer de draad weer op te pakken maar linksaf mag ook weer niet, dus dan maar rechtdoor tussen de dolmussen, bussen, taxi’s en tractors. Het blijft slalommen en ik begin me af te vragen of ik het niet beter zou opgeven. Maar, oh heilige voorzienigheid, aan de rotonde voor me staat plots een bordje “Müze”. In de hoop dat er maar één museum is, ga ik er op af. Ik had ergens gelezen dat het in een afgedankte moskee ondergebracht is, en jawel in het smalle steile straatje is het gele bordje aan de boom getimmerd en wijst een eenmanspoortje aan, de ingang van het museum, naast de moskee. Nu een plaatsje voor mijn auto vinden en voorbij het volgende kruispunt is er ruimte langs de hoge stoep, vlak voor de deur van de bakkerij waar de bakker wat verkoeling zoekt. Ik groet hem maar vriendelijk, tenslotte staat mijn auto voor zijn deur; mag dat wel? Ik voel me nu echt als een vreemde eend in de bijt, alsof ik in een ander tijdperk loop, in een vreemde straat met opschriften waar ik geen hoogte van krijg.
                                                           
Bij het museum word ik meteen gestopt door de veiligheidsdienst, vier agenten met het geweer in aanslag. Jeetje, is de waar zo kostbaar? Er wordt een mannetje bij geroepen die net zijn kruiwagen met onkruid gevuld heeft, en vanachter het loket links van een paar treden krijg ik mijn toegangsbewijs. Hij loopt netjes met me mee de poort door, waar ik op het vierkante binnenplein van de moskee beland dat rondom met glas is dichtgemaakt. Hij gaat me voor, de ene zaal na de andere waar hij gewillig het licht aansteekt en bij het verlaten van het lokaal weer netjes uitdoet.

Het blijkt uiteindelijk maar om een paar zalen te gaan, maar de collectie is netjes verzorgd en chronologisch opgezet van de oude Bronstijd tot en met de Romeins-Byzantijnse tijd. De uitleg is heel summier, en de meeste voorwerpen komen inderdaad uit Sardes. Van de 11.000 voorwerpen die ze daar gevonden hebben liggen er hier anders geen eens 110. Hoe zit dat nou? Open vraag. Misschien achter de deur waar “Archeologisch Museum” op staat en die gesloten is, wegens restauratie – zegt men.
                                                           
Terug bij de bakker voor de deur moet ik toch even informeren naar de driehoekige koeken van bladerdeeg, waarvan ik denk dat ze met appel gevuld zijn, zoals bij ons. Maar nee, er ziet helemaal niets in. Nou ja, geef hem toch maar want hij ziet er wel erg smakelijk uit. Mijn koek wordt kundig in een stuk grauw papier gevouwen en ik krijg nog een mini plastic tasje om hem te dragen, 0,25 YTL a.u.b. Het zijn toch prijzen waar je niet van terug hebt. Ja, en dan is die koek nog ontzettend lekker ook!
                                                            Sept 2005

8 juni 2011

Varna, Archeologisch Museum - Bulgarije

Ik wil natuurlijk naar het Archeologisch Museum van Varna nadat Sofia en Plovdiv in het water gevallen zijn, en er zijn blijkbaar nog liefhebbers. Dus zo gezegd, zo gedaan. Maar als we in Varna uit de overvolle bus stappen heerst er al meteen paniek: een van mijn medereizigers wordt bestolen op het moment dat we uit de lijnbus stappen terwijl we zo voorzichtig waren. Zijn vrouw, ziet dat de rits van haar eigen tasje ook openstaat maar daar is niets uit gestolen omdat er een tube zalf bovenop lag. Gelukkig geen onoverkomelijk euvel zoals een paspoort (ligt in het hotel) of geld of creditcard, maar je staat toch even raar te kijken want we zijn zo dikwijls gewaarschuwd, we houden elkaar in het oog, en evengoed gebeurt het.
                                                           
Het Archeologisch Museum, eens de grootste meisjesschool van de Balkan, is maar gedeeltelijk open, de rest wordt gerestaureerd en gemoderniseerd. De collectie van de Traciërs (ja, eindelijk lukt het!) is adembenemend. Het is inderdaad het oudste goud ter wereld en na wat vergelijken blijkt deze beschaving ook nog ouder te zijn dan die van de Soemeriërs of de Babyloniërs. Ik vraag me af waar de bakermat van onze beschaving nu wel te zoeken is, blijkbaar niet aan de samenvloeiing van Eufraat en Tigris zoals in onze geschiedenisboekjes staat. Ik zie geen bord dat ik niet mag fotograferen dus neem ik een aantal foto’s van deze schatten – helemaal zo gek nog niet. De voorwerpen, 28 stuks in totaal, komen uit een graftombe uit 4600-4200 vóór Christus, armbanden, bijlen, ringen, appliques, enz. Ik geloof mijn ogen niet!
                                                           
Begin van onze jaartelling vallen de Romeinen het land binnen en hun invloed loopt door tot de 5de, zelfs 6de eeuw, langzaam overvloeiend in het Oost-Romeinse Rijk onder invloed van Byzantium. Een logisch gebeuren maar dat hier heel tastbaar is en uitvoerig geïllustreerd wordt. Ik ben helemaal in mijn nopjes!
                                                            juni 2004

28 mei 2011

Milete, TK

Milete is natuurlijk veel meer dan wat ik tijdens een georganiseerde rondreis van de stad gezien heb. Ik besluit om vandaag eens grondig poolshoogte te gaan nemen.

Het museum ligt een paar honderd meter van het grootse theater dat je al van verre kunt zien en het lijkt mij een must om Milete echt in beeld te brengen. Er staan wel een paar auto’s voor de deur maar alle toegangshekken en deuren blijken gesloten te zijn. Aan een mannetje dat aan de overkant in de schaduw zit vraag ik of ik binnen kan. Nee, is het antwoord, het museum is gesloten. Ja, dat zie ik ook, maar voor hoelang? Een uur, een dag? Nee, gesloten voor restauratie, zegt hij. Nou moe! Dat zul je altijd zien! Dit is dan een museum dat ik nu echt wel wil zien en uitgerekend nu is het gesloten! Ik mag wel naar de stukken die buiten langs de weg staan, kijken. Ja, allicht, maar daar liggen er genoeg van in het veld rondom ook.

Ik zal dus echt eens terug moeten komen, het blijft alleen de vraag wanneer. Wanneer zullen ze klaar zijn met hun zo genaamde restauraties? Als ze zover zijn, wordt die bericht zeker bijgewerkt.

Tussen haakjes moet ik hier volledigheidshalve wel aan toevoegen dat, zoals altijd, de mooiste stukken in grote musea elders te vinden zijn. De meest belangrijke vondsten staan te pronken het Archeologisch Museum van Istanbul en in het Pergamon Museum in Berlijn – die ik beide zeker kan aanraden!

9 mei 2011

Tripoli, Archeologisch Museum - Libië

Als we om 9 uur wegrijden richting Jamahiriya (Nationaal) Museum breekt de zon door. Het ziet er meteen een stuk fleuriger uit, maar het blijft wel fris met een strakke wind uit noorden. Voor de poort in een solide fort met hoge dikke muren mogen we uitstappen want hier binnen ligt het museum. Nou, veiliger kan bijna niet hé? Aan de voeten van het fort strekt zich een groots opgezet plein uit waar het tussen het stratenpatroon vol staat met auto’s; tegenover de kustlijn pronkt een wit 19de eeuw gebouw dat duidelijk Italiaanse trekken vertoont.

Ik popel natuurlijk om meteen naar de Griekse en Romeinse afdeling te gaan, zeker als ik al bij het binnenkomen geconfronteerd word met twee schitterende beelden, Romeinse kopies van de Griekse beeldhouwer Praxiteles (4de eeuw v.C.), afkomstig uit de Thermen van Hadrianus in Leptis Magna - dat is toch niet mis zeker? Links staat de zogenaamde Diadomenos, een jonge atleet die het lint van de overwinning om zijn hoofd aan het binden is, en rechts de Apollo-Antinoüs met het lichaam gekopieerd van de Apollo in Delphi en het hoofd van Antinoüs, de boezemvriend van Keizer Hadrianus. Sjonge, wat schitterend! Ik kan er al meteen niet genoeg van krijgen en vergeet daarbij bijna om een kiekje te nemen van het Romeinse Mausoleum (4de eeuw n.C.) uit Ghirza dat er net voor staat. Ghirza was een van die Romeinse grensfortificaties in de zuidelijke woestijn, vlakbij Misrata. Los ervan staat een valse deur, compleet met ketting, helemaal in steen uitgewerkt.

Tegenover dit Mausoleum hangt een groot vloermozaïek uit de 2de eeuw n.C., afkomstig uit de Romeinse villa van Dar Buk Ammera bij Zliten. Het bijzondere hiervan is dat gekleurd marmer inlegwerk (opus sectile) afgewisseld wordt met mozaïeken die duidelijk omlijnd zijn (opus vermiculatum). De centrale taferelen stellen voornamelijk vissen voor, maar in de randen staan minder vreedzame taferelen uitgebeeld ter ere van de gladiatoren.

In de volgende zaal hangt een grote landkaart van Libië waar je met een druk op de knop verschillende lichtjes kunt laten branden om zo de oude karavaanroutes te ontdekken, de antieke Punische steden t.o.v. de Griekse kolonies, de verschillende musea en oasen, etc. Altijd prettig om in een vreemd land wat duidelijkheid te krijgen. Ook de gebergtes, rivieren en woestijngebieden zijn duidelijk aangegeven – aardrijkskunde en geschiedenis gaan nu eenmaal grotendeels hand in hand en zeker in dit land.

Schrille contrasten plots wanneer we (uiteraard) met allerlei portretten en spreuken van Ghaddafi geconfronteerd worden en we hier zelfs een fel turquoise VW van hem zien staan! Wat propaganda hoort er blijkbaar toch ook bij.

Via kopies van een aantal prehistorische muurschilderingen en zichten van de Libische woestijn, beland ik in de Cyrene-zaal, waar een houten maquette van de Agora te bewonderen is. Dit zegt mij niet veel want ik ben er nog niet geweest en ik heb geen idee naar welke gebouwen ik aan het staren ben, maar dit moet wel heel leerzaam zijn na afloop van mijn reis. In de buurt staan ook de eerste grafbeelden zonder gezicht afkomstig uit de necropolis van Cyrene. Dit zijn godinnen waarvan men veronderstelt dat ze Persephone, de godin van de onderwereld en echtgenote van Hades, moeten voorstellen. Ernaast pronkt de onmiskenbare Minerva (de Romeinse tegenhanger van Athena) die goed te herkennen is aan de uil op haar arm, en de speer en het schild die ze vasthoudt. Ik ben wel in de ban van het detailwerk, knap hoor! Verder staat hier nog een Dionysus met sater en panter, niet zo goed bewaard, en een onthoofde Vrouwe Fortuna met prachtig gedrapeerde tunica, beide gevonden op het Oude Forum van Leptis Magna.

De enorme Leptis Magna-zaal bestaat eigenlijk uit drie delen. Aan de muur rechts hangt een levensgrote en veelbelovende foto van de Agora van Leptis Magna. Ik kan me hier even geen voorstelling van maken … Het is te groot en te overweldigend, zeker met al de buitenmaatse beelden en koppen van Ceres, godin van de oogst, en van de Romeinse keizers die hier eventjes defileren: Augustus, Tiberius, Claudius, Germanicus, zelfs met Augustus’ vrouw Livia en zijn kleindochter, Agrippina de Oudere. Knap hoe ze die allemaal uit elkaar kunnen houden, maar ieder zijn vak waarschijnlijk. Je zou bijna vergeten te kijken naar het schitterende mozaïek met de Vier Jaargetijden, dat ook uit de villa van Dar Buk Ammera in Zliten komt. Die villa moet ook wel de moeite van het bekijken waard zijn, ofschoon hij niet op ons programma staat.

In de hoek en bijna verloren staan dan weer twee opvallen beelden. Het ene is dat van Diana, volgens mij ook een Romeinse kopie van een Grieks origineel want het is precies hetzelfde als wat ik eerder in het Louvre in Parijs en in het Museum van Antalya gezien heb! Hallo! Leuk je weer te zien, Diana! Het andere beeld is van de godin Cybele, later in Efeze aanbeden als Artemis met de vele borsten (of wat ze al dan niet voorstellen) dat meteen doet denken aan hetzelfde rijke beeld dat in Efeze te bewonderen is.

In het middelste gedeelte ligt een groot mozaïek met geometrische figuren uit de Villa van de Nereiden in Tajura, aan de westkant van Tripoli, met in het midden het hoofd van de zeegod, Amfitritus. En links staat een rijtje keizers aangetreden uit de 2de eeuw n.C. hoofdzakelijk gevonden in het theater van Leptis Magna.

In het derde deel zijn volgens mij de pronkstukken van het Museum te vinden, in elk geval schitterende stukken uit de Thermen van Hadrianus in Leptis Magna! De booggewelven van deze baden uit de 2de eeuw n.C. zijn gewoon ingestort en zodoende werden de beelden die er toen in stonden gelukkig niet geplunderd. Meteen valt mijn oog op een schitterende Apollo die op een lier speelt. Wat een pracht! En zo gaaf! Zelfs zijn handen en vingers kun je bewonderen – je ziet bijna hoe hij de snaren bespeelt. En dan kun je hem bovendien nog eens goed in de ogen kijken ook, want de verfsporen zijn nog duidelijk herkenbaar. Ik kan er niet genoeg van krijgen en fotografeer hem aan alle kanten, voor en achter, van boven en van opzij, van verre en van dichtbij. Al die andere beelden hier moeten dus ook zo beschilderd geweest zijn … mijn verbeelding gaat even op hol hoor! In een nis achter Apollo staat een welgebouwde Mars, de god van de oorlog, ook weer een kopie van een Grieks beeld dat van de hand van Polykleitus hoort te zijn. Apollo is goed omringd door verschillende elegante dames, met o.a. Isis die een diadeem draagt waarop de zon en de maan uitgebeeld zijn en een Muze die heel aandachtig zit te luisteren – misschien wel naar het spel van Apollo … In een glazen schrijn rust verderop een lief cupidootje, dat ooit deel uitmaakte van een huisfontein uit het einde van de 2de eeuw n.C.

Helemaal achteraan hangen vier mozaïeken uit de Villa van de Nijl (2de eeuw) in Leptis Magna. Hierop staat de Nijl uitgebeeld als een man met baard die op een nijlpaard rijdt, en op weg naar een altaar de Griekse woorden voor “veel geluk” uitspreekt. Saters dansen in het rond en begeleiden het nijlpaard in een vrolijke stoet. Kunstig werk is dit!

Ik moet echt alle zeilen bijzetten om het allemaal in me op te nemen en kan gelukkig af en toe een bordje met uitleg meepikken, waar ik dan ook een foto van neem als geheugensteuntje. Je mag namelijk je handtas hier niet mee naar binnen nemen, alleen maar je fototoestel. Ik heb dus niets om op te schrijven terwijl ik toch speciaal daarvoor een kleine blocnote meegenomen had.

De tocht gaat nu verder naar boven. Hier zijn wat kleinere beelden uit Leptis Magna ondergebracht, met o.a. een beeld van Caracalla als kind, een Venus en een beeld van Faustina, de vrouw van Marcus Aurelius, maar er is hier maar weinig verlichting en dus doet alles een beetje somber aan. Opvallend is dan wel weer de zaal waar de originele reliëfs van de Boog van Septimius Severus opgesteld staan, een bewijs van politieke loyaliteit van de inwoners van Leptis Magna in de 3de eeuw. Het was de bedoeling om hier de goede harmonie binnen het keizerlijke gezin tot uiting te brengen en zodoende staat Septimus Severus afgebeeld tussen zijn twee zoons, Caracalla en Geta.

Nog even een blik werpen op de glazen Romeinse urnen, en dan houd ik het wel voor gezien want de rest is Byzantijns en Islamitisch – niet meteen mijn kopje thee. Nee, hier doen we het mee voor deze keer.
 mei 2010
[Alle foto's zijn te zien door te klikken op Tripoli Museum]

28 april 2011

Aleppo, SY

Bij de hoofdingang van het Archeologisch Museum word ik aangestaard door een groep donkere basaltfiguren die boven op gelijkaardige dieren staan (leeuwen en stieren) allemaal met eng aandoende ingelegde witte ogen. Deze beelden zijn afkomstig uit de neo-hittietische nederzetting van Tell Khallaf en dateren uit de IJzertijd – heel bijzonder, maar echt mooi kan ik dit niet vinden.

Er mag ook hier binnen niet gefotografeerd worden en zolang we tussen beelden en spijkerschrifttabletten uit Ebla, Ugarit en Aleppo lopen vind ik het niet zo erg, maar dan volgt uiteraard de voor mij interessante Griekse, Romeinse en Byzantijnse periode met aardewerk, beelden, mozaïeken, glaswerk en munten. Ja, en laat ik hier nu toch een pracht van een zilveren munt van een jonge Alexander de Grote zien liggen – eentje nog zonder ramshoorns! Er liggen nog meer Alexandermunten, maar deze ene is toch wel echt een uitschieter hoor! Wat een pech dat ik het zonder foto moet stellen! De rest van het museum vervalt meteen in het niet…
Dec 2009

16 april 2011

Verborgen Afghanistan, De Nieuwe Kerk in Amsterdam

Dit is de tentoonstelling die momenteel nog tot 20 april 2008 in Amsterdam te zien is. De titel zelf, “Verborgen Afghanistan” werpt volgens mij wel een aantal vragen op want wat weten wij nu eigenlijk van Afghanistan? Elke dag of daaromtrent is dit land wel in het nieuws met weer een aantal aanslagen en een aantal doden. Wie wil er dan nog iets horen over wat er verborgen is? Kan daar iets moois zijn? Kan er iets bestaan dat de moeite van het ontdekken waard is? Misschien schrikt de titel van deze tentoonstelling wel veel mensen af? Moeilijk te achterhalen, lijkt me, maar voor mij is dit het land van het oude Bactrië waar Alexander de Grote doorgetrokken is en zijn sporen heeft achterlaten. Geen wonder dus dat ik hier een kijkje moet nemen. Ik heb er trouwens een hele dag voor uitgetrokken!

De tentoonstelling is gecentreerd rond vier archeologische vindplaatsen die een tijdsspanne bestrijken van twee duizend jaar vóór Christus tot de derde eeuw na Christus, ruwweg een periode van 2.500 jaar – toch niet mis.

Ik had natuurlijk al het nodige gehoord over het afschuwelijke lot van de vruchtbare opgravingen van Russen en Fransen in Afghanistan die grotendeels in het Museum van Kabul waren ondergebracht. De Russische inval van 1978 heeft zo bij voorbeeld in Ai Khanoum, een stad die door de Grieken gesticht werd, een abrupt einde gemaakt aan de opgravingen en toen de fransman Paul Bernard een paar jaar geleden terug ging kijken was de plek totaal leeggeplunderd! Maar het is vooral de Taliban die grote schade heeft aangericht en elk beeld, fresco of schilderij dat mensen voorstelde finaal aan gruzels gehakt. We kennen allemaal het lot van de reuze Boeddha beelden in Bamian, maar in het Kabul Museum hebben ze echt wel de boel kort en klein geslagen. Zonde dat ik het zeg! Voorwerpen die duizenden jaren getrotseerd hebben worden dan in één klap grondig vernietigd!

Bactrië, om de oude naam maar te gebruiken, ligt in Centraal Azië op het kruispunt van oude karavaanroutes die later uitgroeien tot de Zijde Route, waar alle handelswegen tussen Oost en West elkaar kruisen. Geen wonder dus dat Alexander de Grote zoveel tijd en energie in de verovering van dit gebied gestoken heeft. Hij moest hier gewoon heer en meester zijn, niet alleen om zijn achterhoede veilig te stellen op weg naar India, maar ook uit economisch oogpunt want Bactrië was uiterst strategisch gelegen. Misschien was zijn huwelijk met Roxane, de dochter van het plaatselijke opperhoofd toch eerder een berekende zet dan een impulsieve liefde. Wie weet?

Meteen bij het binnenkomen in de Nieuwe Kerk word ik geconfronteerd met een drietal beelden uit het Musée Guimet in Parijs, uit de boeddhistische tijd maar met zuivere hellenistische trekken. Heel indrukwekkend in de spotlights gezet op een zwarte achtergrond, je kunt er niet naast kijken, en het is meteen een juiste onderdompeling in wat je als bezoeker te wachten staat. Een prachtige Genius met bloemenkrans in hoog reliëf uit de 4de-5de eeuw is puur hellenistisch van uiterlijk, ofschoon gevonden in het boeddhistisch klooster van Hadda, in het uiterste noorden van Afghanistan.

En dan staat er een grote vitrine waarop trapsgewijs op kijkhoogte een honderdtal boeddhistische kopjes geschikt zijn, van klein onderaan tot groot op de bovenste trede. Het is een fascinerend geheel want al naargelang ik ze recht in hun gezin kijk of van opzij, lijkt het alsof ze naar me kijken of gewoon dromerig voor zich uit staren. Ook hier zijn heel duidelijke hellenistische trekken te herkennen, en ik neem er de tijd voor om ze stuk voor stuk te keuren en te bewonderen.

Van hier uit word je bijna automatische de filmzaal ingeloodst, zeer de moeite waard en zeker voor diegenen die hier onbeslagen ten ijs komen. Duidelijk met kaarten, een blik achter de schermen, en met prachtige vergezichten over het schitterende landschap van Afghanistan!

De oudste vondsten (2.000 v.C.) komen uit Tepe Fullol. Het zijn er maar een paar: gouden schalen en bekers in dun geslagen goud die me ergens aan het oude Mycene en het dodenmasker van Agamemnon doen denken. Archeologen zijn het er trouwens niet over eens waar de oorspronkelijke inspiratiebron lag of tot welke stijl ze behoren. Het grootste deel van de schat is bovendien verdwenen, eerst omdat de vondst onder de stamhoofden van Noord Afghanistan verdeeld werd, later omdat de hele collectie van het Museum in Kabul uit elkaar gevallen is. Ze liggen een beetje verloren, achteraf in deze expositieruimte - jammer, want ze mogen toch zeker wel in het zonnetje gezet worden na vierduizend jaar in de grond gezeten te hebben?

Het deel dat gewijd is aan Ai Khanum is voor mij uiteraard de grote trekpleister, in feite de hele reden van mijn bezoek want zoals gezegd werd deze stad gebouwd in het kielzog van Alexander de Grote die in 328-327 v.C. dit gebied veroverde. Ik vind het toch wel wat hoor om helemaal aan de grens met Oezbekistan, aan de oevers van de Oxus Rivier een stad te vinden die op Griekse wijze is opgezet, compleet met Gymnasium, Theater en tempels. Er werd zelfs een Paleis gebouwd, een on-Grieks concept want de Grieken kenden geen Koninklijke paleizen. Dit is dan opgetrokken volgens Perzisch model maar wel met monumentale Korinthische kapitelen bovenop de zuilen en platte daken versierd met zg. antefixen. Die staan hier dus te pronken, samen met voorwerpen zoals een waterspuwer in de vorm van een theatermasker, of een paar zonnewijzers (wat je dus echt niet verwacht!), een Hermeszuil van bijzondere kwaliteit, een gezicht waarvan men zelfs niet met zekerheid kan zeggen of dit nu een man of een vrouw moet voorstellen, bewerkte bronzen handvatten, etc. Echte blikvanger is toch wel de Schijf van Cybele van verguld zilver uit de derde eeuw v.C. waarop de Griekse figuranten in symbiose met verschillende oosterse invloeden staan uitgebeeld. Waar ik helemaal opgewonden van raak is de sokkel waar de deugden van de Griekse man op zijn uitgebeiteld. Deze spreuk komt oorspronkelijk uit Delphi en was al bekend in de 5de eeuw v.C. Ruwweg komt het hier op neer: Als kind leer je goede manieren, als jongeling moet je je leren beheersen, op rijpere leeftijd hoor je rechtvaardig te zijn, als ouderling dien je wijze raad te geven, en als je sterft zorg dan dat je nergens spijt van hebt. Kun je je voorstellen dat deze wijsheid 2 ½ duizend jaar geleden zijn weg gevonden heeft helemaal van uit Griekenland naar de rand van deze woestijnsteppe om daar nu weer heel onverwacht voor den dag te komen! Daar word ik dan wel even stil van hoor!

Verder zijn er de schatten uit Begram, een stadje iets ten noorden van Kabul. Hier werden net voor de Tweede Wereldoorlog twee verzegelde vertrekken blootgelegd waarin ivoren meubels uit India gevonden werden, maar ook een grote hoeveelheid glaswerk en gipsen gietvormen van zuiver hellenistisch herkomst. Ook hier houdt elke archeoloog er blijkbaar zijn eigen theorie op na. Is dit nu een opslagruimte omdat netjes brons bij brons, glas bij glas en ivoor bij ivoor gezet was, of is dit een religieus geschenk, of misschien gewoon een verborgen schat?

Nou het glaswerk alleen al is hoogst uitzonderlijk te noemen en zeer gevarieerd van vorm, kleur en versiering. Neem nu de drie beschilderde drinkbekers (het lijken wel vazen zo groot!). Heel zijn ze natuurlijk niet meer maar als je op de kleur van deze vis- en jachttaferelen af gaat zou je denken dat ze gisteren pas beschilderd zijn. Bovendien zou dit kunstige werk uit Alexandrië komen, dus helemaal uit Egypte naar Kabul gereisd zijn en dat in de 1ste eeuw van onze jaartelling! Je weet wel dat er goederen over en weer verhandeld werden, maar als je er zelf op deze manier mee geconfronteerd wordt, sta je echt met grote ogen te kijken! Dan zijn er de glazen drinkbekers in de vorm van vissen, blauwe en matkleurige, met glinsterende ogen en opstaande vinnen – zoiets heb ik nog nooit gezien! Verder geblazen vazen met honingratenmotief of met een “kanten” omhulsel, ook van glas. Uiteraard ontbreekt de geslepen glazen kom niet, ofschoon die toch een beetje uit de toon valt tussen deze sierlijke vazen en kannen. Er staat ook een pracht van een slanke zwart glazen kan met een elegante handgreep naast eentje van matglas bedekt met puur gouden motieven. Wat een pronkstukken!

In een andere vitrine zijn de ivoren voorwerpen uit India met hellenistische invloed uitgestald, ook al daterend uit de 1ste eeuw n.C. Opvallend zijn hier de ongeveer 45 cm hoge Riviergodinnen met duidelijke boeddhistische trekken, kundig opengewerkte tafereeltjes van Indische dames in exotische tuinen met fonteinen en bijgebouwen, een paar monsterfiguren ook uit India, etc. Raar vind ik de kruik van blauwgroen geglazuurd aardewerk die een vogelvrouw moet voorstellen want qua stijl kan ik die eigenlijk niet goed plaatsen.

De kast met brons kan me niet zo bekoren, behalve misschien het lieve figuurtje van Amor met een lamp in de hand en de jonge ruiter die gezien zijn houding aan Alexander de Grote doet denken, maar dit blijft een vraagteken.

Helemaal apart is een rij gipsen medaillons uitgestald, zo een 15 cm doorsnede en ook uit de 1ste eeuw n.C. Deze werden blijkbaar gebruikt als basisvorm voor de bodem van zilveren borden en schalen. Het zijn net overmaatse mallen voor geldstukken, maar er zitten echt wel juweeltjes tussen, zoals de gevleugelde Amor of het hoogreliëf van een jongeling. Je moet je dan inbeelden dat deze portretten je aanstaren vanuit de bodem van je zilveren kom, wellicht gevuld met water of met wijn? Zou ik wel eens willen uitproberen hoor!

Tot slot is er dan de goudschat van Tillya-Tepe, een heuvel die net buiten de muren van de Grieks-Bactrische stad Emshi-Tepe ligt, in de oase van Sherberghan. Het gaat hier om de inhoud van zes graftombes die nog net voor de inval van de Sovjet-Unie in Afghanistan in 1979 geborgen zijn en naar het Museum in Kabul overgebracht werden. Dit is met recht een samensmelting van steppekunst (wat ik de Scytische kunst zou noemen) Grieks, Indiaas en Chinees. Er lag nog een zevende graf onder deze grafheuvel aan de Turkmeense grens, maar daar hadden de archeologen geen tijd en gelegenheid meer voor; toen ze onlangs eindelijk gingen kijken was de plek finaal leeggeroofd. Zonde hé? De archeoloog die toen de leiding had, de Rus Sarianidi, is gelukkig in de jaren 1980 naar Kabul gereisd om alle 20.000 opgegraven objecten te laten fotograferen en ze in een schitterend boek te publiceren. Zo weten we wel precies wat er gevonden is.

Uiteindelijk hebben we het aan een handjevol dappere Afghanen te danken dat deze schat een veilig onderkomen gekregen heeft in de kluis van het presidentieel paleis. Met veel moeite is de plek geheim gebleven. Het Museum zelf heeft veel te lijden gehad van de burgeroorlog, er werd gestolen en geplunderd, en in 1994 werd het getroffen door een raket waardoor het in brand vloog. Eeuwig zonde zoiets! Maar het ergste kwam nog toen in 2001 de Taliban besloot om niet alleen de reuze Boeddha beelden van Bamian op te blazen maar ook 2.500 kunstwerken uit het Museum in Kabul kort en klein te slaan. Pas in 2003 vond de regering van Afghanistan de situatie veilig genoeg om de goudschat weer te voorschijn te halen en aangezien het zwaar beschadigde Museum van Kabul ze nog niet kan herbergen ontstond het idee om deze collectie op reis te sturen. Na Parijs en Turijn was hij in Amsterdam te zien, om daarna naar de Verenigde Staten te vertrekken en verder rond de wereld.

De graven staan prachtig opgesteld als hoge rechthoekige kisten bedekt met een glasplaat waarop de contouren van de overledene is aangeven zodat de juiste vindplaats van elk object precies op het lichaam is terug te voeren. Oorspronkelijk mat elk graf twee bij tweeënhalve meter en lag het twee meter onder de grond. In het midden stond dan een kist waarin de overledene lag, in totaal vijf vrouwen en één krijger. De man lag op de top van de heuvel tussen de twee rijkst getooide vrouwen, de andere drie vrouwen lagen in de flank van heuvel die feitelijk volgens nomadengebruik een koergan had moeten voorstellen. Dankzij een bijgezette munt waarop Keizer Tiberius is afgebeeld (die regeerde van 14 tot 37 n.C.), heeft men deze tombes dus kunnen dateren.

Het is hier overduidelijk dat Noord Afghanistan echt wel een smeltkroes geweest is van verschillende culturen want de invloeden van China en Griekenland zijn op een heel eigen manier vermengd met oude gewoontes van dit steppevolk. Ik moet onwillekeurig terugdenken aan wat ik van de Scythen gezien heb in Berlijn (de stukken waren afkomstig uit St. Petersburg), vooral door de gouden blaadjes, hartjes, bloemetjes en knoopjes, al dan niet ingelegd met turkoois, die op de kleding vastgenaaid waren. Hier is elk graf een bezienswaardigheid op zich, waar allerlei voorwerpen uit verschillende stijlen broederlijk bij elkaar liggen en een adembenemend geheel vormen. Natuurlijk dragen ze allemaal armbanden en enkelbanden van massief goud al dan niet ingelegd met halfedelstenen. Maar dan zie je dat een paar vrouwen een Chinese spiegel bij zich hebben, uit de Han-dynastie nog wel, gouden spelden met als knop een kunstig uitgewerkte gouden bloem met stampers en al, haarversieringen zoals ik die van de geisha’s ken maar hier uitgevoerd in flinterdunne goudvlokken en kleine pareltjes, zegelringen (o.a. met een afbeelding van Athena er op!) en ringen met edelstenen ingelegd; gouden sieraden voor de hals van hun gewaad ingelegd met turkoois, almandien (een paars-rode granaat), kornalijn en pyriet; gouden oorbellen liefst ingelegd met turkoois; gouden gespen met turkoois; een paar hangers in een mengeling van Chinees, Indiaas en Grieks ook ingelegd met turkoois, lapis lazuli, almandien, kornalijn en parels; gouden broches zoals het stel Amorfiguren op een dolfijn met turkoois en parelmoer; zelfs gouden zooltjes liggen er!

De krijger, waarvan we aannemen dat het een prins is, draagt een ijzeren dolk en zwaard waarvan het gouden heft en schede versierd is met kunstige diermotieven ingelegd met turkoois. Zijn ceintuur was van gevlochten goud strengetjes die schakels vormden tussen de negen gouden medaillons waarop een ruiter in volle galop is uitgebeeld! Onder zijn hoofd is een schaal gevonden van puur gouden, een zogenaamde phiale, 23 cm in diameter a.u.b.!

Verder nog een aantal munten, hangers en versierselen. Ik raak helemaal opgewonden als ik hier eindelijk oog in oog sta met de zogenaamde “Aphrodite van Bactrië” een gouden applique ingelegd met turkoois. Ze is maar 5 cm hoog maar ik ga er voor op mijn knietjes zitten, even goed kijken! Een ander pronkstuk is zeker de gouden kroon met lovertjes en bloemetjes. Dit is eigenlijk een reiskroon die uit vijf delen bestaat en uit elkaar genomen kan worden. Het zijn net kleine platte boompjes waarvan de dunne stammetjes in de kroon gestoken werden – nou ja, klein, toch wel 45 cm hoog!

Hoe groot deze smeltkroes van beschavingen nu echt is of bij welke nomadenstam de graven uit Tillya Tepe horen blijft voorlopig nog een raadsel. Men denkt aan stammen uit Noordwest China, of uit het Rijk van de Parthen (nu deel van Iran en Turkmenistan), wie zal het zeggen?

Het blijft een boeiend onderwerp natuurlijk, want als je alleen maar bedenkt dat de jade uit China kwam, de granaten uit India, het turkoois uit oostelijk Iran en het lapis lazuli uit de mijnen van Badakhsan (huidige Afghanistan), dan bestrijk je al een heel territorium, om dan nog maar te zwijgen over de handelaars en kunstenaars die rondtrokken tussen China, India en het Romeinse Rijk om deze kunstwerken te produceren! Dan zeggen we nu dat de wereld klein is, wat zouden ze toen gedacht hebben?

In elk geval ben ik zeker dat dit zonder Alexander de Grote niet mogelijk geweest zijn!

[Alle foto's zijn afkomstig van The Australian]

3 april 2011

Madaba Mozaïek, Jordanië

Madaba ligt ruwweg 30 kilometer ten zuidwesten van Amman. In 1902 was dit nog een dorpje van niks, nu ligt de kerk van St George, net als alle andere Byzantijnse kerkjes, klem tussen huizen in smalle straatjes. Onze bus moet een eindje verderop parkeren en we vangen een vleugje van de plaatselijke folklore op. Naar men zegt ligt er hier onder elk huis wel een mozaïekvloer. Het grootste deel is tot nu toe gelukkig van de ondergang gered dankzij de kundige belangstelling van de toenmalige dorpspriester, F. Giuseppe Manfredi.
                                   
De Bijbelse stad Madaba is minstens 3.500 jaar oud en heeft dezelfde heersers en bezetters gekend als alle andere steden in de regio. Zijn geschiedenis loopt dus parallel met die van Gadara of Gerasa, om er een paar te noemen, maar het hoogtepunt kende Madaba in Byzantijnse tijden. Er werden toen grootse gebouwen en waterreservoirs gebouwd en in de 6de eeuw schoten de kerken als paddenstoelen uit de grond met een keur aan mozaïeken. De grote aardbeving van 747 maakte een einde aan deze grandeur en de stad bleef verlaten achter. Dankzij de ijver van Manfredi zijn er veel kerken uit de Byzantijnse en Omajjaden tijd in kaart gebracht en hun schatten aan mozaïeken werden grotendeels gered. Het lijstje is zeker niet volledig, maar desondanks indrukwekkend genoeg: de kerk van de Heilige Maagd en de Apostelen, het Hippolytushuis, de Kerk van Profeet Elias met zijn crypte, de Kerk van de Heilige Martelaren (Al-Khadir), het Verbrande Paleis, de Kerk van de Familie Sunna, en de meest beroemde, de Kerk met de Landkaart - tegenwoordig de Grieks-orthodoxe Basiliek van St George. Hier ligt een mozaïekkaart die rond 560 gemaakt zou zijn en die het Heilig Land voorstelt zoals het zich uitstrekte van Egypte tot Libanon, met inbegrip van de Sinaï, Israel, Palestina, en Cisjordanië…! Hier vinden we de oudste voorstelling van de stad Jeruzalem die centraal op de kaart geplaatst is, maar ook van andere bekende steden zoals Nablus, al-Khalil (Hebron), Ariha (Jericho), inclusief rivieren als de Jordaan en de Nijl, en omliggende landen als Turkije en Libanon.
                                   
Oorspronkelijk moet deze kaart 15 x 6 meter groot geweest zijn, jammer dat er “maar” een kwart van bewaard is gebleven! Maar ik ben er ontzettend nieuwsgierig naar, hoor! Stel je voor, dit is een blik op de wereld zoals die was, toen Jeruzalem de navel van de wereld was. Dat kun je je gewoon niet voorstellen! Ik zou hier wel een hele dag kunnen staan om al die namen en plaatsen in gedachten op een hedendaagse kaart over te brengen en dan te vergelijken met wat hier te zien is! Dat is meer dan dagwerk, zo blijkt als ik eenmaal thuis de link Christus Rex aansla. Onder “Map Sections” kun je rustig elk onderdeel en elke streek in detail bekijken. Een luxe hoor, het is een hele wereld die daar binnen bereik ligt van een enkele muisklik. Een geweldige tijd toch, deze computertijd!
                                   
Waarom er nu zo een gedetailleerde kaart gemaakt is en nog wel in zo een afgelegen provinciestadje van het Romeinse Rijk, blijft voorlopig een raadsel. Sommige geleerden die het kunnen weten denken dat de pelgrims op weg naar de heilige plaatsen hier hun weg op konden vinden. Anderen gaan er van uit dat deze kaart niet ver van de Berg Nebo ligt en dus de blik van Mozes op het Beloofde Land zou uitbeelden met de heilige stad Jeruzalem in het midden. Het fijne zullen we waarschijnlijk wel nooit aan de weet komen.
                                   
In het bezoekerscentrum naast de kerk krijgen wij gelukkig wat uitleg, heel handig met een kopie van de kaart aan de wand. De gids zwaait met zijn stokje over wegen, steden, rivieren, oasen, forten, enz., en blijft uiteraard een tijdje boven Jeruzalem hangen, wijzend naar de stadswallen, de hoofdstraat met zuilenrijen, de verschillende kerken die duidelijk herkenbaar zijn. Opvallend zijn ook de vissen die bij het naderen van de Dode Zee terugzwemmen omdat het water te zout is, en de uitgebreide Nijldelta. Ik kom gewoon ogen (en ook tijd) tekort om het allemaal in me op te nemen!
                                   
De kerk zelf is ook best de moeite waard met glimmende gouden kroonluchters en kleurige fresco’s aan de wanden. Dit is voor mij toch ook een hoogtepunt, zoiets waar veelvuldig over gesproken wordt en naar verwezen wordt, en dat ik nu met eigen ogen te zien krijg! Fotograferen valt niet mee, tussen de mensen door en rond de afgezette barricades. Bovendien ben ik ook te opgewonden en te gejaagd (onze tijd is beperkt) om er echt de tijd voor te kunnen nemen. Jammer natuurlijk, maar daar is niets aan te doen …

[voor meer foto's klik op deze link]