12 oktober 2012

Cyrene, Libië

Naar wat ik gelezen heb, was Cyrene in de oudheid een van de grootste steden van Noord-Afrika (reeds in de 5de eeuw v.C. waren er al tienduizenden inwoners) samen met Leptis Magna (allicht) en Sabratha, Volubilis in Marokko en Dougga en El Jem in Tunesië.

Ik arriveer bij een lange witte muur waar ik zou gauw geen bordje zie staan over een museum of zo. Binnen de poort ligt een binnenplein waar een dubbele ijzeren deur links wordt ontsloten; de neon lampen flikkeren aan en ik mag deze ruime kale zaal binnen.

Opvallend is dat hier een stèle staat van de oprichters van Cyrene, daterend uit de 4de eeuw voor Christus waarop te lezen valt dat de inwoners van Thera (het huidige Santorini) zich hier in de 7de eeuw v.C. vestigden zoals opgedragen door het Orakel van Delphi. Jonge mensen werden er toe aangezet om zich hier te vestigen en Battos werd aangesteld als hun leider en koning. Bijzonder toch dat zo een oud document bewaard gebleven is. En dan moet ik plots  aan Delphi denken als ik het beeld van een sfinx op een Ionische krulzuil midden in de ruimte zie staan. Die lijkt als twee druppels water op de sfinx die in het Museum van Delphi staat en die tussen 570 en 560 v.C. door de rijke inwoners van Naxos aan de tempel geschonken werd en op een 10 meter hoge zuil stond te pronken. Dat moet dus hier dus ook het geval geweest zijn. Niet te geloven hoe dingen soms bij elkaar passen.

Vlakbij de ingang word ik gewezen op een indrukwekkende marmeren Romeinse sarcofaag uit de 4de eeuw, waar op de lange kant dansende Menaden staan uitgebeeld en op de korte kant een gevleugelde leeuw met menselijk hoofd. Bovenop de deksel zit een echtpaar in de stijl die we kennen van de Etrusken, maar die in die tijd erg in zwang was. Het is een beetje overdadig, maar toch toont de decoratie sporen van verfijning.

Er staan hier een groot aantal goed bewaarde beelden: Aphrodite met een dolfijn aan haar zijde, een knappe jongeling die me aan Apollo doet denken, Heracles ten voeten uit en een damesfiguur met prachtig gedrapeerd gewaad, een kleine Isis helemaal beschilderd, een driehoofdige Hekate met nog verfsporen rond de ogen (uit het heiligdom van Apollo), de alom vertegenwoordigde Drie Gratiën (waarvan er twee nog hun hoofd hebben bewaard) en een heel aantal bustes waaronder die van Marcus Aurelius en van de zuurpruim Demosthenes. Deze laatste zou ik bijna zeggen dat hij de smoor in heeft omdat Alexander de Grote ook in de zaal staat! Ja hoor, heuselijk waar! Ten voeten uit nog wel en duidelijk herkenbaar, met naast hem de povere resten van zijn geliefd paard Bucephales. Nou ja, mijn dag kan niet meer stuk hé? Alexander had ik hier helemaal niet verwacht, moet je weten! Maar ja, het is wel heel logisch dat hij hier staat omdat de Griekse steden van de Cyrenaica samen met Egypte aan hem toekwamen tot ze later geregeerd werden door Ptolemeus en zijn dynastie. Ik wring me uiteraard in alle mogelijke bochten om toch maar een goede foto van Alexander te schieten. De rest van de zaal valt ineens helemaal in het niet. Ik ga zo intens op in mijn foto’s dat ik maar half merk dat het licht plots uit gaat. Ja, hallo? Ik moet toch de rest nog even zien hoor! Achterin staat er bij voorbeeld een heel rijtje met reliëfs waarop paardenrennen en menners zijn uitgebeeld. De paarden van Cyrene waren namelijk beroemd omdat ze sterk waren in de oorlog en snel tijdens de races – dat weet ik dan ook weer.

Maar dan hoor ik de metalen deur dichtslaan en een sleutel die knarsend in het slot omgedraaid wordt. Nee, nou moeten ze me toch niet opsluiten hé? Ik sprint dus meteen naar de deur en klop met mijn vuist op de holle plaat. Gelukkig, ze hebben me gehoord en onder algemene hilariteit word ik uit mijn sombere ruimte bevrijd.

[Klik hier om alle foto's van Cyrene te bekijken]

24 september 2012

Istanbul, TK - Archeologisch Museum

In Istanbul is het Archeologisch Museum natuurlijk een absolute must, waar ik trouwens een hele dag mee weet te vullen. Daar staat anders wel voor zeven stuivers! Eerder,  in het kader van Alexander de Grote, had ik maar een paar zalen gezien,  maar er staat veel en veel meer natuurlijk: schatten uit Troje, koningsgaven uit de tombe van Koning Midas, resten uit het oude Istanbul/Constantinopel, de Hippodroom, levensgrote beelden uit de Thermen van Faustina in Milete, een schitterend hoofd van Sappho, ga zo maar door…
                                                           
Mijn aandacht gaat natuurlijk eerst en vooral naar de klassieke afdeling. Ik stop bij de leeuwen die langs de Heilige Weg stonden die van Milete naar Didyma liep. De vorige keer was dit maar iets vaags, maar nu ik op die Heilige Weg gelopen heb kan ik me de leeuwen en zittende goden en godinnen veel beter op hun plaats indenken. Natuurlijk moet ik ook weer even bij Alexander de Grote langs, hij staat er nog!
                                                           
En dan bekijk ik alle andere Griekse beelden en reliëfs, of Romeinse kopieën van Griekse originele. Ze zijn met veel smaak tentoongesteld met in elke zaal een enorme foto van een detail van een of ander beeld, vaak met een speciaal verlichtingseffect. Foto’s om jaloers op te zijn! Zo kom ik dus ook de levensgrote beelden uit de Thermen van Faustina tegen die in Milete gevonden zijn. Ik heb eerder in die Romeinse Thermen rondgelopen en de resterende muren zagen er maar grof en massief uit, zodat ik nu toch echt verwonderd ben dat er zulke schitterende beelden gestaan moeten hebben. Moeilijk toch altijd om aan de hand van een paar muren in gedachten je een heel gebouw in te denken en dan nog wel inclusief beelden, mozaïeken en beschilderde wanden!
                                                           
De dichteres Sappho is hier dus ook vertegenwoordigd. Een enorm hoofd met sensuele lippen, waar ooit een heel lichaam onder gestaan moet hebben. Hadden ze niet een of andere vers van haar erbij kunnen zetten, bedenk ik? Dansende Niké’s en Menades, Aphrodite uit verschillende tijdsperiodes, grafstèles, reliëfs met figuren die een lier bespelen, zelfs een stuk fries van het Altaar in Pergamon terwijl ik er van overtuigd was dat alles echt wel in Berlijn stond!
                                                           
Dan is de linkervleugel aan de beurt waar de sarcofagen ondergebracht zijn: van vroeg-Egyptische tombes, later ook wel hergebruikt door Grieken, via Frygische en Lycische sarcofagen met hun kenmerkende deksel in de vorm van een omgekeerde boot tot de voltreffer van de Alexander-sarcofaag uit Sidon want daar kun je gewoon niet naast kijken! Ik neem toch nog een paar foto’s, details die de vorige keer niet helemaal gelukt waren omdat je hier geen blits mag gebruiken en er weinig gelegenheid is om een stabiel steuntje voor mijn camera te vinden.
           
Inmiddels is het koffietijd geworden waarvoor in de tuin van het museum een keuze van stoelen en tafeltjes is neergezet tussen de overblijfselen van zuilen en altaren die net niet mooi of bijzonder genoeg waren om binnen een plaatsje te krijgen. De kleine kiosk biedt weinig keuze, maar Turkse koffie en Turkse thee serveren ze grif. Heerlijk zitten is het hier onder de schaduwrijke bomen, met een stoel onder mijn voeten, nippend aan mijn drabkoffie. Daar knapt een mens van op.
                                                           
In 1991 werd er een nieuwe vleugel aan het museum toegevoegd, vier verdiepingen hoog. Ik ben van plan om er minstens doorheen te lopen, niet juist wetende wat ik nog kan tegenkomen. De eerste verdieping is geweid aan Istanbul met veel tekst en uitleg met af en toe een stuk zuil of wat andere resten. Lezen kan ik thuis ook, maar ik zoek wel de bronzen slangenkop op die bij de Slangenzuil van het Hippodroom thuishoort. Toch nog groot, hoor. Ernaast is op twee tekeningen te zien hoe die zuil er uit gezien kan hebben. Dat is tenminste interessant.
                                                           
De volgende verdieping gaat over Anatolië en Troje. Vreemd genoeg liggen hier potscherven met een merkteken uit Pella, de geboorteplaats van Alexander de Grote. Zouden die door zijn leger hier zijn achtergelaten, vraag ik me af? Verder zijn er verschillende vitrines aan Troje gewijd uiteraard, vrij duidelijk, laag per laag maar er staat voor mij niets nieuws tussen want de vazen en schalen heb ik op mijn vorige reis ook al ergens gezien. Vreemd genoeg kom ik hier het graf van Koning Midas tegen! Dat stond toch in Ankara? Bij nader onderzoek blijkt hier het skelet van de koning op de bank te liggen, terwijl in Ankara een reconstructiepop lag. Dan nog allerhande voorwerpen die bijgezet werden in een dergelijke tombe en natuurlijk, gezien de hoeveelheid, kunnen die best verdeeld zijn tussen Ankara en Istanbul. Wel liggen hier vier klossen die onder de poten van zijn doodsbed stonden. Toch weer een verrassing.
                                                           
Op de bovenste verdieping is aandacht besteed aan de culturen uit de omringende landen. Blijkt dat een of andere sultan in de 19de eeuw zeer geïnteresseerd was in archeologie en die heeft in het huidige Syrië, Libanon en Palestinië (toen allemaal deel uitmakend van het Ottomaanse Rijk) opgravingen gefinancierd en uitgevoerd. Opvallend hier is een stel geglazuurde sarcofagen uit de 4de-5de eeuw die me doen denken aan enorme Goudse pijpen; zoiets ben ik nog niet tegengekomen. Ook hebben ze uit Syrië een aantal laat-Romeinse grafkamers overgebracht die ik het beste kan vergelijken met hedendaagse columbaria, alleen iets groter, met op elk deurtje een afbeelding van de overledene. Net een gezellige familiebijeenkomst.
                                                           
Nou dat staat er dan even in paar zinnen, maar er is toch heel wat tijd in dat geslenter gegaan. Tussendoor nog thee gedronken in de tuin met een halfzachte toast, om dan weer vol goede moed verder te gaan. Het is heet, tegen de 40 graden, en dit museum is niet gekoeld behalve door de natuurlijke tocht van deuren en ramen die tegen elkaar openstaan.

Tegenover de hoofdingang, naast de zg. theetuin, staat een schitterend gebouw, het Çinili-paviljoen, bekleed met Iznik-tegels. Binnen moet een keur aan Turkse tegels en keramiek te bewonderen zijn, voornamelijk uit Iznik. Dit houd ik voor gezien. Wel had ik nog het Museum voor Oosterse Oudheden op de hoek in gewild want daar is o.a. het Verdrag van Kadesh te zien. Dit is een kleitablet uit 1269 v.C. dat het oudst bekende vredesverdrag ter wereld bevat, afgesloten tussen de Hittieten Koning en Ramses II van Egypte. Er moet ook iets op staan over de terugkeer van politieke vluchtelingen, en dat 3.500 jaar geleden! Denken we nu dat we iets nieuws uitgevonden hebben! Maar het loopt al tegen sluitingstijd en ik heb bovendien echt geen fut meer om, al is het maar vluchtig, even binnen te wippen. Jammer.

12 september 2012

Musée Guimet, Parijs

Dit museum staat al tientallen jaren op mijn programma en eindelijk ben ik er toch geraakt! Het staat bekend voor zijn collectie Aziatische kunst, niet meteen mijn kopje thee want de puur Chinese, Japanse en zelfs Indiase kunstwerken kunnen mij nu eenmaal niet boeien – sorry voor de liefhebbers.

Nee, ik ging natuurlijk Alexander de Grote achterna, t.t.z. de sporen van het Hellenisme in Afghanistan, India, Pakistan en in Centraal Azië over het algemeen. Nou, daar ben ik echt wel aan mijn trekken gekomen!

Het Musée Guimet is onlangs grondig gerenoveerd en dat is ook te zien. De buitenmuren zijn gezandstraald en schoon, en binnen is alles uiterst modern ingericht met volop daglicht, overzichtelijke collecties, overal duidelijke bordjes met uitleg, het huisje bij het schuurtje houdend, een weelde aan vooral beelden en muurschilderingen.

Op zich zijn de Fransen pas laat in Centraal Azië gearriveerd, gewoon omdat ze het te druk hadden in het toenmalige Indochina met sites als Angkor om er maar eentje te noemen. Maar in 1922 is daar toch verandering in gekomen toen de koning van Afghanistan niet achter wilde blijven bij zijn buurlanden en een verdrag sloot met de Fransen om in zijn land opgravingen uit te voeren. Mensen als Joseph Hackin, die het Grieks-Romeinse glaswerk van Begram vond en de kunst van Gandhara aan het licht bracht; Jules Barthoux, die van 1926 tot 1928 op de site van Hadda werkte waar hij een aantal kloosters met Grieks-Afghaans stucwerk uit de 4de-5de eeuw vond (o.a. de prachtige Génie aux Herbes); en tenslotte Daniel Schlumberger die in 1952 op de Acropolis van Surkh kotal (Bactrisch Afghanistan) vaststelde dat de Kuchans de afstammelingen waren van de Grieks-Bactrische beschaving. De Franse opgravingen in Afghanistan zijn pas afgebroken met de inval van de Sovjet-Unie in 1979.

Maar dit museum huisvest ook heel veel schatten afkomstig van de steden langs de antieke Zijde Route waar een uniek boeddhistisch patrimonium bewaard gebleven is. Het woestijnklimaat heeft er in ruime mate toe bijgedragen om zoveel unieke documenten waaronder vele geschriften maar ook een enorm aantal boeddhistische fresco’s te conserveren. In Centraal Azië waren voor genoemde Joseph Hackin, andere Fransen actief, zoals Dutreuil de Rhings (1890-1895) en Paul Pelliot (1906-1909).

Ik kan hier moeilijk alle stukken gaan toelichten, maar al mijn foto’s zijn wel te zien op de link Musée Guimet. Als uitblinkers citeer ik b.v. de aarden bekers uit Mundigak (Afghanistan) die dateren uit  2700 v.C., puur Myceens of zelfs Byzantijns op het eerste zicht maar wat natuurlijk niet kan, met uit dezelfde streek een klein beeldje dat een broertje kon zijn van de kunst uit de Cycladen. Ik ben vooral gefascineerd door de prachtige beelden en hoofden van Boeddha en Bodhissatva uit Gandhara (Pakistan) en Hadda (Afghanistan) waar de hellenistische invloed gewoon van afdruipt! De beroemde “Génie aux Herbes” uit Hadda (3de-4de eeuw) is een echt pronkstuk al hangt hij een beetje ongelukkig hoog en op een gelijkkleurige achtergrond. En dan het inmiddels vertrouwde glaswerk uit Begram (Afghanistan) uit de eerste eeuw van onze jaartelling met fascinerende vormen van visjes en galjoenen in geblazen glas, maar ook blauwe, witte en doorschijnende vaasjes en bekers. Absolute uitblinkers zijn dan weer de slanke bekers die kleurrijk beschilderd zijn met mythologische figuren en gevechtstaferelen. Daar kan ik echt niet genoeg van krijgen! In de Chinese afdeling blijf ik ook even staan bij de terracotta figuren van Bactrische en Sogdische handelaars al dan niet met hun kamelen die in de 7de-8ste eeuw gemaakt zijn, een soort eerbetoon aan deze dappere kooplui die de woestijn van Centraal Azië doorkruisten.

Zoals gezegd, wilde ik dit alles vanuit het Hellenistische oogpunt bekijken en dat is helemaal gelukt. Wat een schatten, wat een pronkstukken, wat een weelde!

Dat de eerste Boeddhabeelden hellenistische trekken hadden wist ik al wel, maar nu krijg ik te horen dat voor die tijd Boeddha altijd abstract voorgesteld werd maar dat hij onder Griekse invloed in menselijke gedaante uitgebeeld werd, inclusief een Griekse toga! Geen wonder dat ik hier mijn ogen op uit kijk! Alexander moest het eens weten…

10 augustus 2012

Paard & Ruiter – van Homerus tot Djenghis Khan

“Paard & Ruiter – van Homerus tot Djenghis Khan” is de titel van een tentoonstelling die van 16 mei tot 16 september 2012 loopt in het Allard Pierson Museum in Amsterdam.

Een kort filmpje bij het binnen komen maakt meteen duidelijk dat het paard oorspronkelijk uit de steppes van Centraal Azië afkomstig is en via Mesopotamië in Turkije beland is om vandaar Griekenland te bereiken. Het hoort een soort dubbeltentoonstelling te zijn over twee tot de verbeelding sprekende culturen, de Griekse die beschouwd wordt als de bakermat van onze beschaving en het Mongoolse rijk van Djenghis Khan, die het grootste imperium ooit stichtte.

De muziek van de Alexander-film komt me al meteen tegemoet bij het binnenkomen, want Alexander de Grote en zijn geliefde Bucephalus mogen natuurlijk niet ontbreken. In feite begint dit deel van de tentoonstelling met de opkomst van het paard als rijdier. Als trekdier was het paard in Griekenland al in 17de-16de eeuw v.C. bekend, later werd het voor wagens gespannen bij speciale processies, races of om de veldheren in oorlogstijd te vervoeren. In die dagen boden die wagens slechts ruimte voor één of maximaal twee man. Bij de bouw van dit vervoermiddel kwam er geen spijker aan te pas, het hout werd in elkaar gepast en het geheel werd dan bekleed met natgemaakte ongelooide huiden die ervoor zorgden dat alles goed op zijn plaats bleef zitten. De bodem van die wagens waren dan weer gemaakt van repen ongelooide huid die dan gelijk als schokdemper dienst deden. De twee wielen telden vier spaken en de velgen werden verstevigd met ijzeren banden of ook weer bekleed met huiden. Het gebruik van een paardenbit was niet bekend, en zo werden de paarden met een nek- en buikriem ingespannen. Normaal werden maximaal twee paarden ingezet, maar vanaf de 8ste eeuw v.C. blijkt dat men ook twee extra paarden liet meelopen die niet onder het juk vastgemaakt werden. Hierbij moet ik even terugdenken aan wat ik op de tentoonstelling The First Emperor gezien heb, want daar liepen inderdaad ook twee paarden mee die buiten het span opgesteld waren… Leuk hé?

In het oude Griekenland (de tentoonstelling beslaat de periode van 1300-300 v.C.) was het paard een statussymbool bij uitstek en dat was zeker het geval bij de wagenrennen. De eer van de winnaar kwam dan in eerste instantie toe aan de eigenaar van de paarden, daarna aan de paarden en in allerlaatste instantie aan de wagenmenner! Niet te geloven zoiets. Races voor bereden paarden zijn bekend vanaf 648 v.C. toen ze een vast onderdeel werden van de Olympische Spelen. Wie het zich kon permitteren ging te paard op jacht, vooral bij het jagen op herten en everzwijnen.

Bij het oorlogvoeren werden ook paarden ingezet natuurlijk, eerst om de strijders met de wagen naar het strijdtoneel te brengen, maar vanaf de 7de en 6de eeuw v.C. werden ook ruiters ingezet, maar dan meestal alleen voor verrassingsaanvallen. Echte confrontaties van man tot man te paard kwamen pas in de 5de eeuw v.C. op gang en het was Alexander de Grote die daadwerkelijk de cavalerie een duidelijke en belangrijke rol liet spelen.

Dit alles wordt hier rijkelijk geïllustreerd met afbeeldingen op vazen, schalen en potten (of scherven daarvan), kleine terracotta figuurtjes, munten (inclusief Alexander natuurlijk) maar ook met grotere afbeeldingen op gipsen afgietsels van friezen van het Parthenon bv. Al met al best interessant, met goede uitleg die het allemaal tot leven brengen.

De Mongoolse afdeling komt er daarentegen karig van af, ofschoon die toch de periode van 600 tot 1400 n.C. beslaat. Een paar houten zadels, wat pijlen en bogen, kleding, muziekinstrumenten, maar paarden of ruiters heb ik daar niet gezien behalve op twee of drie levensgrote foto’s. Bijzonder is natuurlijk wel dat in die tijd de stijgbeugels gekend zijn waardoor de Mongoolse krijger veel meer bewegingsvrijheid kreeg. Naar zeggen worden hier recente archeologische vondsten uit de rotsgraven van Mongolië tentoongesteld – stukken in bruikleen van het Instituut voor Archeologie van de Academie van Wetenschappen in Mongolië. Men hoort hier een beeld te krijgen van de samenleving waarin mens en paard één waren, maar dat komt niet echt uit de verf. Jammer zoiets.

Voor de jeugd is dan een volledig ingerichte yurt opgesteld, een beetje in de verdrukking in een achterkamertje. Binnen krijg je wel een goed idee hoe de steppebewoners leefden, maar om je deze yurt in de Mongoolse steppes in te beelden … daar heb je echt veel verbeelding voor nodig hoor!

31 juli 2012

Afrasiab, Oezbekistan

Van het Museum van Afrasiab verwacht ik echt heel veel want dit is per slot van rekening het antieke Samarkand, het Maracanda van Alexander de Grote!

Meteen al bij het binnenkomen word ik geconfronteerd met een half duistere zaal waar alle vier muren bedekt zijn met levendige fresco’s. Ze werden in 1965 ontdekt in de ruïnes van een paleis daterend uit de 7de-8ste eeuw (ofschoon andere bronnen spreken van een privé-huis) en staan dus nu hier te pronken. Volgens een Chinese tekst zijn hier de “Vier Heersers van de Wereld” uitgebeeld: China, India, Iran en Turkije. De Chinese muur is makkelijk te herkennen met een festival waar de Keizerin op een boot vaart terwijl de Keizer aan het jagen is. De Iranese Wereld beeldt een religieuze rouwstoet uit Samarkand uit te ere van de voorvaders tijdens het Nowruz festival. Op de oostelijk muur wordt India weergegeven als land van astrologen en pygmeeën, maar dit fresco verkeert in zeer slechte staat. Van de Turkse delegatie is niet uit te maken wie of wat hier precies bedoeld is. De stukken zijn allemaal een beetje fragmentarisch en voor de menselijke figuren moet je wel creatief zijn om er gezichten en kostuums in te zien. Gelukkig staat er bij elk onderdeel een reconstructieschets van het tafereel. Duidelijker zijn dan weer de dieren te herkennen: paarden, olifanten, panters en grote vogels die er uitzien als zwanen en voor Zoroastrische offeranden bestemd waren.

In feite is het museum opgesplitst in vijf vertrekken, elk met een eigen (chronologisch) thema. De eerste ruimte is gewijd aan het verloop van de opgravingen zelf, met kaarten en maquettes. In de tweede ruimte wordt de vroege geschiedenis van Samarkand toegelicht, teruggaand tot de 4de eeuw v.C. met o.a. aardewerk uit de 6de-4de eeuw v.C., een gereconstrueerde kalkoven en wat stenen- en metaalgereedschap. Daarna komt de zaal met Alexander de Grote die de stad in 329 v.C. veroverde, voor mij natuurlijk hét hoogtepunt! Een schaalmodel van Afrasiab moet aantonen hoe geniaal Alexander te werk is gegaan bij de belegering van stad – alsof ik dat nog niet wist! Hier liggen ook wat gebruiksvoorwerpen, wapens en geldstukken, maar van de Alexandermunten zijn alleen foto’s te zien. Jammer is dat, ze hadden toch best wel minstens één echte munt van Alexander kunnen presenteren? Wel hangt er een grote kaart aan de muur met zijn hele veldtocht doorheen Azië, dat kan ik zelfs in het Oezbeeks lezen. Ook aanwezig is een verzameling Greco-Bactrische munten met o.a. de heersers met wat ik een tropenhelm noem – heel kenmerkend. In de vierde zaal komen stukken uit de 1ste-4de eeuw n.C. aan de beurt, waarin vooral het spirituele leven van de bewoners in de tijd van Zoroaster centraal staat – de Islam komt pas later (7de eeuw). De vijfde en laatste ruimte is eveneens gewijd aan de religieuze belevenis van de inwoners van Samarkand. Hier zijn voorwerpen te zien die betrekking hebben tot de verering van het vuur, een huiskapel, muurschilderingen, fragmenten van houten beelden, etc. Aangezien het Zoroastrisme met de komst van Islam totaal verwoest werd, blijkt Afrasiab het beste voorbeeld te zijn van de geloofsbelijdenis uit die tijd.

Afrasiab zelf strekt zich uit over een oppervlakte van maar liefst 220 hectares en ligt verborgen onder een 8-12 meter dikke laag aarde. Sinds eind 19de eeuw worden er hier met horten en stoten opgravingen uitgevoerd die o.a. een paleis uit de tijd van de Samanieden hebben blootgelegd. Maar Afrasiab, waarschijnlijk genoemd naar de legendarische koning van Turan, ligt ook aan de Zijderoute, eeuwenlang de belangrijkste verkeersader tussen India, China en Europa. Geen wonder dus dat we hier brede straten en hoge verdedigingswallen aantreffen, terwijl de huizen op zijn minst luxueus ingericht waren – getuigen de fresco’s die in het museum ondergebracht zijn. Maar er is ook een rijke verzameling aardewerk, gereedschap, terracotta beeldjes en geldstukken gevonden waarvan een deel (ik vermoed de mooiste stukken) in de Hermitage in St Petersburg beland is (de opgravingen werden voornamelijk door de Russen uitgevoerd) maar een niet te onderschatten aantal voorwerpen staat hier in het aanpalende museum.

[Klik hier om alle foto's van het Museum in Afrasiab te bekijken]

16 juli 2012

Het Klooster van Baskovo, BU

Vandaag staat het Klooster van Baskovo op het programma, het tweede klooster van Bulgarije na dat van Rila, dat in 1083 gebouwd werd door twee broers die militair commandant waren in het leger van de Byzantijnse Keizer Alexis Commenus. De bus zet ons aan de voet van een schuine hobbelstraat af, die we zelf ad pedibus naar boven moeten lopen. Langs de kant staan er heel wat fonteinen die hun water uit veelvuldige kraantjes laten lopen. Het doet me denken aan de landelijke wegen in Italië van vroeger waar ook regelmatig een verkoelende waterplaats stond.

Ook dit klooster is verre van streng en sober, maar warm en levendig met kleurrijke fresco’s binnen en buiten met fijn houtsnijwerk. Er zijn nog maar vier monniken in dit complex, ooit onderdak verlenend aan een 140 van hen. We mogen hier de refter binnen, een lang smal vertrek met middenin een lange stenen tafel met aan weerskanten dito banken. De muurschilderingen lijken wel die van een kerk te zijn, met alle standaardelementen er in, en dit blijkt ook de opzet want de monniken moesten zo dikwijls ter kerke gaan voor hun gebeden dat ze anders niet aan eten toe kwamen. Ze waren toch wel slim, hoor! De aangrenzende keuken is uiteraard veel kleiner dan van Rila maar ruikt ook weer naar rook en roet. Het trekgat boven in de tuitvormige koepel is trouwens niet zo groot, weer een donkere business, niets voor mij.

Het klooster van Baskovo telt maximaal twee verdiepingen en, net als in Rila, staat de kerk uit 1604 midden in het complex. Hij is gewijd aan St. Nikolaas en bevat een schitterende icoon van Maria met Kind, waarschijnlijk Grieks aangezien hij in zilver gevat is. Deze icoon, uit ongeveer 1310, schijnt miraculeus te zijn want het is herhaaldelijk voorgekomen dat Maria het klooster en de monniken voor onheil behoed heeft. Ze wordt dus in grote eer gehouden en er zijn dan ook vele plaatselijke bedevaartgangers die aan de stalletjes een doekje kopen als offergave, buiten de kaarsjes die natuurlijk alom branden. Hier ligt ook, heel uitzonderlijk, de laatste patriarch en abt van het klooster begraven. De muurschilderingen zijn niet te zien in deze donkere ruimte, maar wel die van de onderste kerk gewijd aan de Aartsengelen Michaël en Gabriël waar, vreemd genoeg, de mensen gezellig tegenaan leunen!

Het klapstuk is toch het fresco buiten aan de muur van de refter dat het grootste van het land heet te zijn. De artiest geeft een ideale visie van het klooster weer, zelfs met gebouwen die ooit op de bouwplannen gestaan hebben maar nooit verwezenlijkt werden. Middenin prijkt een afbeelding van de icoon van Maria met het Kind die op het klooster neerdaalt. In een lange monnikenprocessie, waarin zelfs moslims meelopen, wordt de icoon drie maal rond de kerk gedragen. Het is een prachtige schildering, zo fris en kleurrijk alsof hij pas gisteren gemaakt werd. Het geheel wordt geflankeerd door twee medaillons, links met de afbeelding van St. Joris en rechts met die van St. Dimitri. Ongetwijfeld een schitterend geheel.

Ook rond het binnenplein staan hier de nodige fonteinen en daar wordt vooral door de pelgrims, grif gebruik van gemaakt.

[Klik hier om alle foto's van het klooster te bekijken]

3 juli 2012

Het graf van Koning Philippus II van Macedonië in Vergina

Aan de hand van een schaalmodel wordt de opbouw en indeling van het graf van Koning Philippus II van Macedonië duidelijk gemaakt: een grote dubbele deur, geflankeerd door twee of vier halve zuilen, gaf toegang tot een rechthoekig voorportaal, met daarachter de feitelijke grafkamer.

Er loopt hier een brede houten trap naar beneden, naar de indrukwekkende ingang van het graf. De façade staat volop in de spotlights en ik voel me erheen aangetrokken als en mot naar het licht. De grote beschermende glazen of plexiglas wand valt me pas later op. Ik heb alleen maar oog voor de majestueuze entree met haar frisse, uiterst fijne kleuren. Ik ben even teleurgesteld dat ik niet binnen mag, maar zoveel mensen zouden de temperatuur in de ruimte omhoog drijven en de decoratieve verflaag aantasten. Begrijpelijk is het dus wel. Ik staar vol bewondering naar de heldere kleuren die de eeuwen getrotseerd hebben. De gesloten deur is geflankeerd door twee Dorische zuilen in half reliëf met aan weerszijde een platte zuil met bovenop blauwe en rode afwerking. Daarboven zijn de trigliefen donkerblauw geschilderd met dito druppels, rustende op een felrode rand. Als een kroon op geheel loopt over de hele breedte (5,60 meter) een fresco dat een jachttafereel voorstelt, in volle actie in een bosrijke omgeving. Ook dit is van hoogstaande kwaliteit met schitterende pastelkleuren. Een van de jagers te paard zou mogelijk Alexander voorstellen. Het geheel zit geklemd tussen een ajourrand van afwisselend rood en blauw, en ook daarboven zijn de reliëfranden ingekleurd alsof het gisteren gebeurd is. Ik sta me te vergapen aan deze kleurenrijkdom, die ik even helemaal voor mezelf alleen heb, alsof ik op een speciale audiëntie ontvangen word. Ik ben er helemaal van onder de indruk als ik na verloop van tijd de kreunende trap weer oploop. Een complete verrassing, want ik had wel gelezen over de vondsten in het graf maar dat de tombe zelf zo indrukwekkend en zo veelkleurig was, daar had ik geen idee van!

Het lichaam van Philippus is volgens het toen geldende Macedonisch gebruik gecremeerd. De overgebleven botjes zijn in wijn gewassen en keurig in een doek gewikkeld die dan zorgvuldig in een gouden kist of larnax geplaatst werden samen met zijn koningskroon van gouden eikenbladeren. Deze larnax staat hier te pronken met zijn 7,820 kilo gehamerd puur goud! Bovenop de deksel is het Macedonische stersymbool met 16 stralen aangebracht tussen twee rozetten gevuld met blauw email. Aan de zijkanten zijn reliëfs met palmetten en lotusknoppen te zien met dwars in het midden een doorlopende rij geëmailleerde rozetten. De poten van de kist zijn ook weer met rozetten versierd die eindigen in leeuwenpoten. Wat een pracht!

De eikenbladeren kroon waar alle spotjes op staan is de zwaarste en meest indrukwekkende uit de Griekse oudheid. Voor wie het precies wil weten: hij telt 313 blaadjes en 68 eikeltjes, en weegt precies 714 gram a.u.b.! Dit zijn uiteraard de grote blikvangers want je kunt er niet naast kijken, maar er staat nog meer. Zo bv. het leren kuras van Philippus dat met ijzer en goud beslagen en bewerkt is, zijn gouden pijlkoker waarop gevechten in volle actie uitgebeeld zijn die doen denken aan Scythische reliëfs, zijn ingelegd zwaard en zijn enorm schild (nou ja, ik vind het enorm want ik had niet verwacht dat het zo groot zou zijn, zeker 1 meter diameter. Hij moet wel heel sterk geweest zijn, hoor!). Buiten zijn persoonlijke wapen bezittingen zijn er ook een groot aantal kostbare gebruiksvoorwerpen bijgezet in het graf, zoals bronzen kommen, schalen en vazen, zilveren wijnkannen en zeefjes, bronzen lampen, enz. Sommige objecten zien er trouwens ook weer zo gaaf uit alsof ze pas gisteren gemaakt zijn.

Het houten banketbed is wel zwaar aangetast door de tand des tijds, maar de glazen, gouden en ivoren versieringen zijn goed bewaard gebleven. Over de lange kant van de bank liep een fries dat een koninklijke jachtpartij voorstelde waar Philippus zelf aan deelnam, maar ook zijn zoon Alexander en andere Macedonische edelen. Wat Alexander betreft is dit het enige portret waarvan men met zekerheid weet dat hij er voor geposeerd heeft. Men heeft geprobeerd om deze bank te reconstrueren en de stukjes van de puzzel op hun plaats te zetten. Wat een monnikenwerk!

In de antichambre van het graf van Philippus heeft men nog een, weliswaar kleinere, gouden larnax gevonden met dezelfde Macedonische sterversieringen, waarin de resten van een vrouw lagen gewikkeld in een purperen met goud bestikte doek. Men veronderstelt dat het om zijn laatste vrouw, Cleopatra, gaat. Ook hier werden kostbare gouden kronen en diademen gevonden, onmiskenbare getuigen van de weelde van de overledene. De houten banketbank in deze ruimte is ook vergaan maar de fijn uitgewerkte ivoren figuurtjes met gouden haar en accessoires getuigen van uiterst kundig vakmanschap.

Ik loop hier een paar maal terug en nog eens rond. Alles fonkelt en schittert zo mooi in de felle spotjes die de voorwerpen te voorschijn toveren. Het komt zeer koninklijk en waardig over en men zou bijna vergeten dat deze voorwerpen 2.500 jaar onder de grond gezeten hebben. Wat een voorrecht om dit te mogen zien! Wat een genot!

12 juni 2012

Poppen van Damal, Turkije

Onlangs zag ik toevallig een uitzending op de Turkse TV waarin folklorepoppen aangekleed werden. Een dameskransje zat gemoedelijk en met oneindig geduld kleine kraaltjes te rijgen die in diagonale figuren op de boezem van de jurkjes vastgemaakt werden. Ik schat die popjes een 20 à 30 cm groot, dus ga maar even na. Ik stond versteld van dat priegelwerk, wat moest dat nou?

Bleek nu dat die vrouwen zelf ook al een dergelijke jurk van effen fluweel droegen, daarbij gebruik makend van verschillende kleuren voor de rok het jakje en de mouwen. De rokken en de rand van het jak waren bovendien afgezet met gouden biezen. Daar overheen, als een trotse borstwering, droegen ze dan dat kralen paneel. Hun hoge ronde hoofddeksels waren ook al met van die kleine kraaltjes versierd, met aan de zijkanten clusters van kralenkettingen en achteraan verschillende zijden sjaaltjes in effen bonte kleuren. De poppen die ze aan het maken waren bleken zuivere kopieën te zijn.

Ik heb zoiets nog niet eerder gezien en vond het ontzettend jammer dat ik de uitvoerige uitleg van die ene dame niet kon verstaan. Het was duidelijk dat er veel aandacht aan details gehecht werd en dat hun kleren, voor henzelf én voor de poppen, met heel veel zorg vervaardigd werden. Af en toe kwamen er beelden door van jonge meisjes of oudere vrouwen die in hun pronkkledij door smalle dorpsstraatjes liepen in een ruw besneeuwd landschap. Ik bekeek de gezichten van die vrouwen met meer aandacht, langgerekte gezichten met lichte ogen en donker haar, een heel ander type mensen dat wat ik in west en zuid Turkije tot nu toe gezien heb. Het een bij het ander voegend, kwam ik tot de conclusie dat dit ergens in noordoost Turkije moest zijn. Maar ja, dat is gissen natuurlijk.

Aan het einde van het programma (ik had het begin niet gezien), las ik een titel Damal bebekleri. Poppen van Damal? Waar ligt Damal? Ik de kaart er bij gehaald, en ja hoor, Damal ligt zoals ik verwachtte in noordoost Turkije boven Kars en dicht bij de grens met Georgië. Maar het poppenverhaal intrigeerde me nog steeds en dus ging ik eens op het Internet kijken - daar vind je toch alles zeker?

Nou, ik heb het inderdaad gevonden, al was de uitleg toch maar summier voor mijn doen. Damal ligt namelijk aan een oude verbindingweg tussen Europa en Centraal Azië, dwars over de Kaukasus. Lange tijd was dit het gebied van de Turkmenen, waarna het ten prooi viel aan herhaaldelijke conflicten tussen de Georgiërs en Armeniërs. Verder stond hier vermeld dat de lappenpoppen van Damal beroemd zijn en zelfs vele prijzen gewonnen hebben op handwerk festivals. Nou dat was dat dan.

Ik vraag me nu wel af of er iemand is die mij iets meer over deze poppen kan vertellen? Hoe is deze folklore ontstaan? Waarom worden die poppen nu nog gemaakt? Gaat deze bijzondere kleding nog terug tot de tijd van de Turkmenen? Hebben de kleuren van de jurken en kralen een bepaalde betekenis? Is dit gebaseerd op een zekere traditie of herdenken ze hiermee een bepaalde gebeurtenis? Wie koopt die poppen trouwens? Zijn ze meer dan een louter souvenir?

Op het Internet wordt ook vermeld dat er op een bepaalde tijd van het jaar (wanneer zeggen ze niet), één van de bergen een schaduw projecteert die met het profiel van Ataturk overeenkomt en dat hier jaarlijks heel veel mensen op af komen. Nu heb ik die beelden ook gezien in de TV uitzending en de gelijkenis is inderdaad heel frappant. Valt hier nog meer over te vertellen, vraag ik me af?

Wie het weet mag het zeggen. Ik ben zeer benieuwd naar het commentaar van mijn lezers!

9 juni 2012

De grote tumulus van Vergina, Griekenland

Er is hier schitterend werk verricht. Om deze Koninklijke graven en de andere resten die hier gevonden zijn te bewaren voor het nageslacht, heeft men een ondergrondse ruimte ingericht om al deze monumenten bij een constante temperatuur en vochtigheidsgraad te beschermen. Tussen de tombes in werd een expositieruimte aangelegd voor de kostbare vondsten uit de graven. Daarna werd de tumulus weer opgeworpen in zijn oorspronkelijk staat, en dat is wat ik nu te zien krijg.

Het is hier koel en donker, komende uit het felle zonlicht is het even tasten en wennen. Indrukwekkend! Dit museum heeft ernaar gestreefd om een neutrale omgeving te creëren waarin de voorwerpen zelf in de spotlights komen te staan en dat is gelukt.

Ik word naar links verwezen, daar waar een tiental grafstèles een erehaag vormen op weg naar de resten iets verderop. Nu zijn er over heel Griekenland honderden en misschien wel duizenden grafstèles te vinden, al dan niet in de musea en ik heb, eerlijk gezegd, zoiets van dat ik die nu wel voor bekeken hou. Maar deze Macedonische stèles tonen niet alleen sporen van verf, nee, ze zijn rijkelijk beschilderd met kleuren die na 2 ½ duizend jaar nog zo helder zijn als op de dag van gisteren. Slanke rechthoekige stèles met een bescheiden rood geschilderde strik om zijn middel met daaronder de naam van de overledene; een andere stèle met een palmetkroon met donkerblauwe nerven en lichtroze randen; dan een stèle die een volledig afscheidstafereel toont zoals ik dat eerder in reliëf gezien heb maar nu geschilderd met tere kleuren en contouren; weer andere stèles in varianten van de vorige, telkens met de naam van de overledene er op alsof je verondersteld wordt ze gekend te hebben. Oh! Wat Jammer dat ik hier niet mag fotograferen.

Met een trapje op beland ik aan een ingezakte Heroon uit de 3de eeuw v.C. dat ik van bovenaf mag bewonderen. Daar achter ligt een geplunderd graf dat De Tombe van Persephone genoemd wordt naar de fresco’s die daar gevonden zijn. Deze werden er uit verwijderd en hangen nu aan de muur er achter. Schitterende scènes vol betovering en verdriet die op zeer menselijke manier zijn weergegeven. Buiten de drie vrouwelijke figuren, herkent men de godin Demeter, treurende over het verlies van haar dochter. Dit is werk van hoog artistiek niveau dat wel eens aan Nikomachos toegeschreven kon worden.

Iets verderop, nog steeds in dezelfde tumulus, ligt een kleiner en iets recenter graf, dat het Prinsengraf genoemd wordt. Ook dit graf was ongeschonden en bevatte nog alle gaven, inclusief kostbaar vaatwerk en wapens. De dode was een jongeling van ongeveer 14 jaar die lid van de koninklijke familie geweest moet zijn en er gaan geruchten dat dit de zoon van Alexander zou kunnen zijn. Zijn resten werden in een zilveren urn (hydra) bewaard waarop een gouden kroon rustte. Het smalle fries dat langs de binnenwand van de grafkamer loopt stelt een paardenrace met wagenmenners voor die nu nog heel levendig van kleur moet zijn, want daar mag ik natuurlijk ook niet in. Wel mag ik, net als bij Philippus de trap af naar de ingang van de tombe, soberder dan de vorige façade maar toch ook weer met heel mooie kleuren op de trigliefen. Het fries dat daarboven over de hele breedte liep is vergaan, men denkt dat het op dierenhuid of hout geschilderd was.

De zilveren hydra met de gouden eikenbladeren kroon staat apart in de spotlights, een juweel! Ook hier weer prachtige ivoren beeldjes die ooit de statiebank versierden. Ik vergaap me aan de finesse waarmee bv. de vingers en het haar uitgewerkt zijn! Niet te geloven!

Het is allemaal zo mooi en zo bijzonder dat ik nog een tweede rondje museum doe, zeker nu dat de kakelende en kwetterende Griekse vrouwenbond eindelijk afdruipt. De meest opvallende voorwerpen en taferelen wil ik goed in mijn geest graveren, vooral omdat ik toch al geen foto’s mag nemen.

Als ik na 2 uur ronddwalen terug buiten sta, is het opmerkelijk stil. Op een handjevol toeristen na is de ruimte rond de tumulus verlaten. Bij de snack onder de bomen geniet ik van mijn thee en water en rust. Natuurlijk lopen mijn gedachten nog in het museum en het antieke Aegae rond, de tijd overbruggen is altijd moeilijk. De souvenirwinkeltjes prijzen Alexander in alle maten en vormen aan, maar hij lijkt helemaal niet, vind ik. Goedkope kitsch. Wel koop in nu een boekje over Aegae en het tumulus museum want daar staan wel plaatjes in van de dingen die ik zelf niet mocht fotograferen.

4 juni 2012

"Die Rückkehr der Götter" in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen

Een bijzondere ontmoeting met antieke goden en godinnen die van 13 januari t/m 2 september 2012 te zien is in het Römisch-Germanisches Museum. Stukken die meer dan driehonderd jaar lang in het bezit van Pruisische keurvorsten en koningen waren om hun kastelen van Berlijn en Postdam te sieren, zijn thans ondergebracht in verschillende musea in Berlijn op het z.g. Museum Insel. Maar niet alle stukken zijn daar echt te zien want veel is gewoon opgeslagen in de bergingsruimte. De voorwerpen lopen uiteen van marmeren beelden tot terracotta en bronzen beelden in alle maten en groottes.

De Griekse goden blijven ons na meer dan 2000 jaren nog steeds boeien, van de machtige Zeus en zijn gemalin Hera met de tweelinggoden Apollo en Artemis tot de beeldschone Aphrodite en de wijngod Dionysus. Zelfs de Romeinen konden hier niets op aanmerken en gaven ze alleen nieuwe namen. Zo werd Zeus tot Jupiter omgedoopt en Hera tot Juno; Artemis werd gelijkgesteld met Diana, Aphrodite met Venus, Dionysus met Bacchus, Poseidon met Neptunus, Athena met Minerva, enz.

Nu staan ze hier opgesteld onder hun Griekse en/of Romeinse naam, meestal Romeinse kopieën uit de 1ste-2de eeuw van onze jaartelling. De beelden en schalen zijn keurig gepresenteerd met duidelijke uitleg in drie talen, kundig in de spotlights gezet zodat elk stuk helemaal tot zijn recht komt. Dit valt me vooral op bij een bijna levensgroot beeld van Diana waar alleen haar lichaam met zwierige rok van bewaard is gebleven. Veel van deze beelden zijn echter in recentere tijden gerestaureerd of bijgewerkt, iets wat de Duitsers blijkbaar graag deden. Zo staat hier een pracht van een marmeren Apollo met harp, waarvan blijkt dat alleen de torso origineel is – nou, het is dat ze het zeggen maar het is voor een leek als ik echt niet te zien.

Ik mag hier jammer genoeg geen foto’s nemen, dat schijnt ook zo de mode te zijn tegenwoordig en dat betreur ik vooral bij het zien van de unieke Aphrodite uit Cnidos, nou ja, haar hoofd dan. Ze kijkt me al het ware aan, het hoofd iets naar links rustend in een bijna vragende houding en het is alsof ze elk ogenblik zal opkijken. Ik kan me nu dus helemaal indenken dat men van alle windstreken naar deze Aphrodite in Cnidos kwam kijken, de eerste naakt uitbeelding van een vouw in de geschiedenis die door niemand minder dan Praxiteles werd gemaakt! Mijn dag kan niet meer stuk!